ECLI:NL:CRVB:2008:BC1360

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5550 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring wegens niet tijdig indienen beroepsgronden in socialezekerheidszaak

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden. De Raad voor de Rechtspraak heeft het hoger beroep behandeld zonder dat partijen verschenen tijdens de zitting.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft volledig de overwegingen van de rechtbank dat de beroepsgronden uiterlijk op 21 juni 2006 hadden moeten worden ingediend. Appellant diende deze pas op 27 juni 2006 in, ruim na de gestelde termijn, zonder dat sprake was van een verschoonbare reden of toestemming van de rechtbank voor uitstel.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van appellant. Er worden geen proceskosten aan appellant opgelegd omdat daarvoor geen gronden aanwezig zijn.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden.

Uitspraak

06/5550 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2006, 06/2903 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 januari 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I.A.M. Bruls-van Strien, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 14 november 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden waarop het beroep berust. Hiertoe heeft de rechtbank - waarbij voor eiser appellant gelezen dient te worden - als volgt overwogen:
“De gronden van het beroep dienden derhalve uiterlijk op 21 juni 2006 ter griffie van de rechtbank te zijn ingediend.
De gestelde termijn is verstreken zonder dat eiser aan het verzoek heeft voldaan. Ook is binnen die termijn door de rechtbank geen uitstelverzoek ontvangen.
Eerst bij fax van 27 juni 2006, dus ruim buiten de gestelde termijn, heeft eiser de gronden ingediend.
De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die deze termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Aangetoond noch aannemelijk is gemaakt dat namens de rechtbank toestemming is verleend om de beroepsgronden later dan op 21 juni 2006 in te dienen. Van een concrete en rechtens te honoreren toezegging op 27 juni 2006 door een rechtbank-medewerker, dat de beroepsgronden uiterlijk op die dag zouden kunnen worden ingediend en dat zulks dan binnen de gestelde termijn zou zijn, is dezerzijds niets bekend, nog daargelaten dat op die datum de schriftelijk geboden termijn reeds verstreken was en de gemachtigde van eiser ermee bekend had kunnen zijn dat omtrent de ontvankelijkheid van een beroepschrift een rechter oordeelt.”
2. De thans in geding zijnde vraag of appellant in zijn beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard, beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad onderschrijft de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank geheel. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.
3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW