ECLI:NL:CRVB:2008:BC1171

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03-3883 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
  • A.H. Polderman-Eelderink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4a TWArt. XI Wet beperking export uitkeringenArt. 20 lid 4 TWArt. 8:72 lid 4 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvordering onverschuldigd betaalde toeslag wegens vervallen grondslag

Appellant, woonachtig in Marokko en ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, kreeg een toeslag toegekend die vanaf 1 januari 2000 volgens een besluit van het UWV in drie jaar zou worden afgebouwd. Door een systeemfout vond in januari 2002 geen afbouw plaats, waarna het UWV een terugvordering van het teveel betaalde bedrag van € 76,99 instelde.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, stellende dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om af te zien van terugvordering en dat het UWV redelijk had gehandeld door het bedrag te verrekenen met een vakantie-uitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de afbouw vanaf 1 januari 2001 is hersteld en nagekomen, waardoor de grondslag voor terugvordering is vervallen.

Daarom vernietigt de Raad zowel het bestreden besluit als het primaire besluit van 15 maart 2002. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Het UWV dient het griffierecht van € 116 aan appellant te vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot terugvordering van de toeslag wordt vernietigd omdat de grondslag is vervallen.

Uitspraak

03/3883 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2003 (02/3349)
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 3 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft van verweer gediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 28 november 2000 heeft gedaagde aan appellant, die woonachtig is in Marokko en een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, medegedeeld dat de aan hem toegekende toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) vanaf 1 januari 2000 wordt afgebouwd in een periode van drie jaar. Dit besluit was gebaseerd op artikel 4a van de TW in samenhang met artikel XI van de Wet beperking export uitkeringen.
Ter zitting van de Raad is door het Uwv verklaard dat door appellant tegen dit besluit bezwaar is ingesteld.
Bij brief van 25 januari 2002 is aan appellant medegedeeld dat als gevolg van een systeemfout geen afbouw van de toeslag heeft plaatsgevonden over de maand januari 2002 en dat hij nader bericht zal ontvangen over de terugvordering van het teveel betaalde bedrag.
Bij het primaire besluit van 15 maart 2002, gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit), heeft gedaagde het onverschuldigd betaalde bedrag van € 76,99 teruggevorderd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat zich in het geval van appellant geen zodanige bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat gedaagde gehouden zou moeten worden geacht op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW geheel of gedeeltelijk af te zien van de in het bestreden besluit neergelegde terugvordering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde in redelijkheid kunnen besluiten de teveel betaalde toeslag te verrekenen met de vakantie-uitkering.
De Raad overweegt als volgt.
Door het Uwv is ter zitting van de Raad meegedeeld dat de afbouw van de toeslag van appellant vanaf 1 januari 2001 (datum afbouw) is hersteld en aan hem is nabetaald.
Het voorgaande betekent dat de grondslag aan de terugvordering is komen te vervallen zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet voorts aanleiding, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook het primaire besluit van 15 maart 2002 te vernietigen, aangezien dit op dezelfde niet houdbaar gebleken grondslag berust.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit alsmede het besluit van 15 maart 2002;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het griffierecht ad € 116,-- aan appellant dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.
(get.) H.J. Simon.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
IJ191107