ECLI:NL:CRVB:2007:BC2068
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging verzekeringsplicht directeur-grootaandeelhouder per 1 januari 2005 zonder premierestitutie
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit van het UWV bevestigde om de verzekeringsplicht van haar directeur-grootaandeelhouder niet met terugwerkende kracht te beëindigen.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat appellante op de hoogte had moeten zijn van de relevante wijziging in aandelenbezit die leidde tot verzekeringsplicht. De directeur had bovendien geen melding gemaakt van de gewijzigde aandelenverhouding tijdens looncontroles.
In hoger beroep benadrukte appellante dat vanaf 1 juli 1994 geen verzekeringsplicht had mogen gelden en dat er sprake was van onverschuldigde premiebetaling die gerestitueerd moest worden. Subsidiair stelde zij dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door het middellijke aandelenbezit buiten beschouwing te laten.
De Raad stelde vast dat de verzekeringsplicht van de directeur en zijn echtgenote gescheiden beoordeeld moesten worden en dat het beroep tegen de verzekeringsplicht van de echtgenote buiten de grenzen van het geding viel. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht pas per 1 januari 2005 de verzekeringsplicht beëindigde en dat er geen sprake was van nalatigheid of onzorgvuldigheid.
De Raad wees premierestitutie af en bevestigde de aangevallen uitspraak, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De verzekeringsplicht van de directeur-grootaandeelhouder is terecht pas per 1 januari 2005 beëindigd en premierestitutie wordt afgewezen.