ECLI:NL:CRVB:2007:BC1118

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6249 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:2 AwbArt. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stellen aanvraag bijstandsuitkering wegens niet verstrekken noodzakelijke gegevens

Appellant diende op 28 juli 2005 een aanvraag om bijstand in bij het College van burgemeester en wethouders van Eindhoven. Het College verzocht appellant meerdere malen om aanvullende gegevens, waaronder taxatierapporten van zijn woning en vakantiehuis, binnen gestelde termijnen te overleggen. Appellant verscheen niet op het geplande gesprek en verstrekte de gevraagde stukken niet tijdig.

Het College stelde de aanvraag op 22 september 2005 buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en handhaafde dit besluit op 31 januari 2006. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing. De Raad oordeelde dat het College voldoende gelegenheid had geboden om de aanvraag aan te vullen en dat de gevraagde taxatierapporten noodzakelijk waren voor een goede beoordeling.

De Raad vond geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat gegevens die na het primaire besluit worden verstrekt in beginsel niet meetellen. De psychiaterverklaring van appellant bood onvoldoende grond om aan te nemen dat appellant niet in staat was om tijdig de stukken te overleggen of uitstel te vragen. De Raad concludeerde dat het College terecht bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen en bevestigde de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig verstrekken van noodzakelijke gegevens.

Uitspraak

06/6249 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant]
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 september 2006, 06/1428 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wege. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Op 28 juli 2005 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. In het kader van de afhandeling van deze aanvraag heeft het College appellant bij brieven van 12 augustus 2005 en 29 augustus 2005 verzocht vóór respectievelijk 26 augustus 2005 en 9 september 2005 diverse aanvullende gegevens te verstrekken, waaronder taxatierapporten van de woning van appellant in Eindhoven en zijn vakantiehuisje in België. Bij brief van 14 september 2005 heeft het College appellant nogmaals de gelegenheid gegeven om tijdens een gesprek op 21 september 2005 deze aanvullende gegevens te verstrekken. In alle hiervoor vermelde brieven heeft het College appellant er op gewezen dat de aanvraag niet zal worden behandeld indien de gegevens niet voor de gegeven termijn door het College worden ontvangen. Appellant is zonder bericht van verhindering niet op het gesprek van 21 september 2005 verschenen.
Bij besluit van 22 september 2005 heeft het College onder toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt om de aanvraag te kunnen beoordelen. Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het College dit besluit gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
31 januari 2006 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de door het College opgevraagde taxatierapporten zijn aan te merken als gegevens die van belang zijn voor het bepalen van het recht op bijstand. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de in artikel 4:5 van Pro de Awb gestelde voorwaarden, nu vaststaat dat de taxatierapporten niet binnen de gestelde termijnen zijn overgelegd. Ook heeft het College, naar het oordeel van de rechtbank, in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te laten. De rechtbank heeft in de verklaring van psychiater P.C. Blom van 3 maart 2006 geen verschoonbare reden gezien voor het niet binnen de gestelde termijn overleggen van de betreffende stukken.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is er onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de door het College bij appellante opgevraagde taxatierapporten noodzakelijk zijn om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. De Raad stelt voorts vast dat het College appellant in totaal een termijn van ruim vijf weken heeft gegund om de gevraagde stukken te overleggen. De Raad acht deze termijn niet onredelijk. Ook staat vast dat deze rapporten niet binnen de daarvoor gestelde termijnen door het College zijn ontvangen.
Naar aanleiding van het feit dat appellant de gevraagde gegevens in bezwaar alsnog heeft overgelegd merkt de Raad op dat naar zijn vaste rechtspraak aard en inhoud van het primaire besluit strekkende tot het buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand, meebrengt dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde (herstel)termijn te verstrekken. De Raad heeft in de verklaring van de psychiater Blom van 3 maart 2006 onvoldoende aanknopingspunten gevonden om tot de conclusie te komen dat appellant vanwege psychische klachten in de gehele periode van belang bij voortduring buiten staat was de taxatierapporten - al dan niet met behulp van derden - binnen de gestelde termijn over te leggen dan wel tijdig uitstel te vragen. Daarbij acht de Raad van belang dat appellant - ondanks zijn psychische toestand - in staat is gebleken zich op 4 juli 2005 te melden bij Centrale organisatie werk en inkomen en op 28 juli 2005 een aanvraag in te dienen ter verkrijging van de bijstandsuitkering. Uit het verslag van de intake kan voorts worden opgemaakt dat appellant nog tot 30 juni 2005, kort voor de periode van belang, een eenmanszaak heeft gehad. Appellant heeft voorts in een daarvoor bestemd formulier uitsluitend herniaklachten vermeld als reden dat hij geen sollicitatieactiviteiten heeft ontplooid. Ook het feit dat op 7 september 2005 nog verschillende bewijsstukken door hem zijn overgelegd, duidt niet op een situatie dat appellant in de gehele periode van belang bij voortduring buiten staat was om zijn belangen naar behoren te behartigen dan wel te laten behartigen.
Het College heeft zich gelet op het voorgaande terecht bevoegd geacht om de aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond ook te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en
L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) W. Altenaar.