ECLI:NL:CRVB:2007:BC0299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot terugkomen van onherroepelijk bestuursbesluit over opzegtermijn WW
Werknemer heeft bij het UWV een aanvraag ingediend om betalingsverplichtingen van zijn werkgever over te nemen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV stelde bij besluit van 21 oktober 2003 de opzegtermijn op zes weken vast. Tegen dit besluit werd geen bezwaar gemaakt. Later stelde werknemer dat op basis van een uitspraak van de Raad van 27 april 2005 voor hem een langere opzegtermijn geldt en verzocht het UWV om herziening van de opzegtermijn.
Het UWV wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat werknemer geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die het eerdere besluit konden wijzigen. De rechtbank Zutphen vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:2 van Pro de Awb, maar handhaafde de rechtsgevolgen ervan. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het verzoek van werknemer terecht was afgewezen.
De Raad overwoog dat de uitspraak van 27 april 2005 geen nieuw feit of omstandigheid is in de zin van artikel 4:6 Awb Pro en dat het enkele feit dat een rechterlijke uitspraak een besluit onjuist verklaart, voor risico blijft van degene die het besluit heeft berust. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel, redelijkheid en billijkheid bood geen grond om het UWV te veroordelen tot herziening.
De Raad concludeerde dat het UWV bevoegd was het verzoek af te wijzen en dat de aangevallen uitspraak bevestigd kon worden. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M.A. Hoogeveen op 28 november 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht niet is teruggekomen op het onherroepelijke besluit over de opzegtermijn omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd.