Appellant, geboren in 1940 uit een gemengd huwelijk met een Joodse vader, vroeg in 2005 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag werd door verweerster afgewezen omdat appellant geen vervolging had ondergaan. De Raad bevestigt dat appellant als kind uit een gemengd huwelijk niet tot de groepen behoorde die door de Duitse bezetter werden vervolgd en dat zijn onderduik in het ouderlijk huis niet voldeed aan de wettelijke definitie van vervolging.
Tijdens de zitting was appellant afwezig. De Raad overwoog dat vervolging volgens de wet handelingen of maatregelen omvat die leiden tot vrijheidsberoving of onderduik vanwege vervolging op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing. Hoewel appellant ondergedoken was, was dit geen reële onderduik in de zin van de wet en waren de omstandigheden niet duidelijk ongunstiger dan die van andere kinderen uit gemengde huwelijken.
De Raad oordeelde dat verweerster haar discretionaire bevoegdheid om gelijkstelling toe te passen terecht niet heeft benut, omdat geen sprake was van een klaarblijkelijke hardheid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een periodieke uitkering gehandhaafd.
Uitspraak
07/1221 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant],
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 9 november 2006, kenmerk JZ/Z60/2006, te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007. Aldaar is appellant, naar hij op 17 december 2006 heeft bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, die is geboren [in] 1940 uit een zogenoemd gemengd huwelijk waarin de vader de joodse partner was, heeft in september 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde dan wel, met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet als gelijkgesteld met de vervolgde, in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen.
1.1. Bij besluit van 23 februari 2006, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster de aanvraag afgewezen. Verweerster is van oordeel dat appellant geen vervolging heeft ondergaan. Verweerster heeft daarbij overwogen dat appellant als kind uit een gemengd huwelijk niet behoorde tot een van de groepen van personen tegen wie de Duitse bezetter op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing maatregelen heeft gericht en dat de door appellant gestelde onderduik in zijn ouderlijk huis niet kan worden beschouwd als vervolging in de zin van de Wet. Voorts onderscheiden, aldus verweerster, de omstandigheden waaronder appellant de oorlogsjaren heeft meegemaakt, zich niet duidelijk ongunstiger van wat andere kinderen uit een gemengd huwelijk hebben meegemaakt, zodat hierin geen aanleiding wordt gevonden om de uitzonderingsbepaling toe te passen.
2. Appellant heeft in beroep tegen dit besluit onder meer aangevoerd, dat hij wel ondergedoken was en dat hij daar klachten van heeft gekregen.
3. De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door partijen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan iedere handeling of maatregel welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de Nederland vijandelijke bezettende macht werd gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof of wereldbeschouwing en welke heeft geleid tot vrijheidsberoving of onderduik om aan vrijheidsberoving te ontkomen.
3.2. Met verweerster is de Raad van oordeel dat van handelingen of maatregelen als hier bedoeld in het geval van appellant niet is gebleken.
Niet in geding is dat appellant niet van zijn vrijheid is beroofd geweest. Als kind uit een gemengd huwelijk had appellant in beginsel ook geen handelingen of maatregelen van de Duitse bezetter te duchten, zoals verweerster terecht heeft overwogen. Uit de stukken komt naar voren dat de vader van appellant bij zijn eigen aanvraag in 1977 heeft aangegeven dat hij was ondergedoken in de kelder van het huis waarin zijn vrouw en twee kinderen woonachtig waren. Voorts waren ook de moeder en zuster van appellant op dit adres ingeschreven. Naar appellant voorts zelf heeft meegedeeld, mocht hij in de avond de straat op om even een luchtje te scheppen. Van een reële onderduik als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet is dan geen sprake, zoals verweerster terecht heeft overwogen. Verweerster heeft derhalve op goede gronden vastgesteld dat appellant geen vervolging heeft ondergaan.
3.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet, voor zover van belang, kan verweerster niettemin de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met de vervolging, met de vervolgde gelijkstellen, indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard. Dat brengt mee dat de Raad een besluit als hier in geding slechts met terughoudendheid kan toetsen.
3.4. Verweerster hanteert bij het gebruik van vorenbedoelde bevoegdheid in een geval als dat van appellant als hoofdregel dat de omstandigheden waaronder de betrokkene ten tijde van de bezetting heeft geleefd zich duidelijk ongunstig dienen te hebben onderscheiden van die van zijn of haar categoriegenoten, zoals bijvoorbeeld het hebben meegemaakt van de wegvoering van naaste familieleden, het hebben meegemaakt van razzia’s of huis-zoekingen of het verblijf als kind temidden van Joodse onderduikers, waardoor identificatie met deze vervolgden kon ontstaan. Verweerster heeft het standpunt ingenomen dat dergelijke omstandigheden zich ten aanzien van appellant niet hebben voorgedaan. Gelet op hetgeen appellant zelf heeft meegedeeld omtrent zijn weder-waardigheden tijdens de bezetting, kan de Raad dat standpunt slechts onderschrijven. Uit de stukken komt naar voren dat de ouders van appellant hadden besloten hem zoveel mogelijk schuil te houden in hun huis in Amsterdam uit angst dat de Duitsers hem zouden komen halen. Appellant stelt daaraan ernstige gevolgen te hebben overgehouden. Verweerster behoefde daarin op zichzelf evenwel, nu zich tijdens de bezetting geen omstandigheden als hierboven bedoeld hebben voorgedaan, nog geen reden te zien om tot gelijkstelling met de vervolgde over te gaan.
4. De Raad komt tot de slotsom dat, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, van het door verweerster genomen besluit appellant niet met de vervolgde gelijk te stellen niet kan worden gezegd dat zij daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen komen.
4.1. De Raad ziet dan ook geen grond het bestreden besluit niet in stand te laten.
5. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.