ECLI:NL:CRVB:2007:BB9710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de grenzen van het geding in WW-uitkeringszaak
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden inzake de herziening en intrekking van haar WW-uitkering en toeslag door het UWV wegens schending van de inlichtingenplicht.
Het UWV had de uitkering en toeslag met terugwerkende kracht ingetrokken en teruggevorderd, maar op bezwaar werd dit deels teruggedraaid en werd appellante geschorst om binnen een maand aanvullende informatie te verstrekken. Tijdens de procedure trok het UWV het besluit van 24 maart 2006 in en handhaafde de intrekking van de eerdere besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 24 maart 2006 gegrond en het beroep tegen het besluit van 17 juli 2006 niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
In hoger beroep voerde appellante voor het eerst een vordering in tot nabetaling van de WW-uitkering met toeslag en vakantietoeslag over een langere periode, vermeerderd met wettelijke rente. De Raad constateerde dat deze vordering buiten de grenzen van het geding valt en dat het UWV reeds wettelijke rente heeft vergoed. Omdat appellante geen nieuwe grieven aanvoerde die tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kunnen leiden, verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de gevorderde nabetaling buiten de grenzen van het geding valt en geen nieuwe grieven zijn aangevoerd.