ECLI:NL:CRVB:2007:BB9368

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5346 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing hoger invaliditeitspercentage militair invaliditeitspensioen

Appellant stelde in hoger beroep dat het militair geneeskundig onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn rugklachten voortvloeien uit zijn linkerknieaandoening, waardoor een hoger invaliditeitspercentage zou moeten worden toegekend. De staatssecretaris had eerder besloten het invaliditeitspercentage van 20% te handhaven op basis van een medisch specialistisch onderzoek.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat het militair geneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd die het eerdere standpunt over zijn rugklachten konden wijzigen. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Raad stelde vast dat het onderzoek van drs. H. Yard adequaat was en dat het ontbreken van aanvullende radiologische onderzoeken en inlichtingen bij huisarts en fysiotherapeut niet onzorgvuldig was.

Verder oordeelde de Raad dat het feit dat appellant geen hoger beroep had ingesteld tegen een eerdere uitspraak niet tot herziening leidt, mede omdat die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. De medische brieven van behandelende specialisten werden door de Raad weliswaar erkend, maar niet als voldoende bewijs gezien om het eerdere oordeel te herzien. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de eerdere uitspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het invaliditeitspercentage van 20% wordt gehandhaafd.

Uitspraak

06/5346 MPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 augustus 2006, 05/3907 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 22 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Appellant is in persoon verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
II. OVERWEGINGEN
1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.
1.1. Bij besluit van 20 april 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 mei 2005 (hierna: bestreden besluit), heeft de staatssecretaris met toepassing van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen beslist dat geen aanleiding bestaat om bij de berekening van het aan appellant toekomende militair invaliditeitspensioen uit te gaan van een hoger invaliditeitspercen-tage voor zijn linkerknieaandoening dan de reeds eerder toegekende 20%. De staats-secretaris heeft dit besluit gebaseerd op de resultaten van een op zijn verzoek naar die aandoening nader ingesteld militair geneeskundig onderzoek, in het kader waarvan appellant is gezien door een medisch specialist voor orthopedische aandoeningen, drs. H. Yard.
2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, op de grond dat niet gebleken is dat het militair geneeskundig onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voorts was de rechtbank van oordeel dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot het al in 1990 door de staatssecretaris ingenomen standpunt dat ten aanzien van zijn rugklachten geen dienstverband is aanvaard, welk standpunt bij in kracht van gewijsde gegane uitspraken van het voormalig Ambtenarengerecht te ’s-Gravenhage en de rechtbank ’s-Gravenhage is gevolgd. De rechtbank zag geen reden om daar thans anders over te oordelen.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het militair genees-kundig onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen, dat hem ten onrechte wordt nagedragen geen hoger beroep te hebben ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin is geoordeeld dat geen dienstverband bestaat voor zijn rugklachten, en dat uit de door hem overgelegde brieven van de behandelende sector wel degelijk blijkt dat zijn rugklachten voortvloeien uit zijn afwijkend looppatroon dat veroorzaakt wordt door zijn linkerknieklachten.
3.1. De Raad is - evenals de rechtbank - van oordeel dat hem uit de voorhanden zijnde medische gegevens niet is gebleken dat het militair geneeskundig onderzoek onzorg-vuldig tot stand is gekomen. Blijkens het verslag van het onderzoek van drs. H. Yard, van 4 februari 2004, heeft appellant aangegeven vooral pijn te hebben links onder de linker-bilspier, dat deze pijn in hevigheid wisselt maar constant gevoeld wordt en door de gehele achterzijde van het bovenbeen trekt tot in de knieholte. Appellant heeft ook vermeld dat de pijn vooral ‘s nachts in bed en bij langdurig zitten hevig kan zijn, maar dat deze vermindert wanneer hij gaat lopen en in beweging blijft. Volgens appellant zijn zijn knieklachten niet erger geworden, maar heeft hij nog steeds last van pijn in het gewricht met lopen. Gelet op deze klachtenpresentatie van appellant kan de Raad hem niet volgen in zijn grief dat ten onrechte is nagelaten een röntgenfoto van de linkerknie te laten maken. In het verlengde hiervan en gelet op de specifieke deskundigheid van Yard ziet de Raad ook geen reden om het onzorgvuldig te achten dat de arts Yard geen inlichtingen bij de huisarts en de fysiotherapeut van appellant heeft ingewonnen.
3.2. Met betrekking tot de grief van appellant dat hij destijds geen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingesteld, omdat hij door zijn rechtshulpverlener onjuist is voorgelicht, overweegt de Raad dat deze grief hem niet kan baten nu daaraan niet afdoet dat in het geval van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak in rechte moet worden uitgegaan van de juistheid van die uitspraak, tenzij uit medisch onderzoek het tegendeel blijkt. Uit de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad voor dat laatste geen aanknopingspunten gevonden. Dat appellant een andere mening heeft over hoe een invaliditeitskeuring zou moeten verlopen, maakt dat niet anders.
3.3. Ten aanzien van de door appellant ingebrachte brieven van zijn behandelende specialisten is de Raad van oordeel dat hij daaraan niet het gewicht kan toekennen dan appellant daaraan gehecht wil zien. De Raad heeft daartoe laten wegen dat de behandelend revalidatiearts J.C. van Gijn in zijn brief van 20 september 2004 de rugklachten van appellant als atypisch heeft bestempeld en daarbij heeft opmerkt dat deze klachten wellicht iets verergerd worden door het afwijkende looppatroon van appellant. De neuroloog J.P. Schipper vermeldt in zijn brief van 29 augustus 2005 dat appellant chronische lumbagoklachten heeft welke “mogelijk op basis van zijn gestoorde statiek bij knieafwijking links” berusten. In de brief van 12 december 2005 heeft de orthopedisch chirurg dr. H.H. de Boer vermeld dat zijns inziens de rugklachten van appellant gekop-peld zijn aan het veranderde looppatroon van appellant en dat hij een verbetering van die klachten verwacht na de standscorrectie van de knie. Uit de in opdracht van de orthopedisch chirurg gemaakte röntgenfoto’s van de lage rug lijkt bij appellant sprake van lumbalisatie van de eerste sacrale wervel en is sprake van een lichte scheefstand van de wervelkolom. Dat uit deze brieven blijkt - zoals appellant naar voren heeft gebracht - dat het aannemelijk moet worden geacht dat zijn rugklachten worden veroorzaakt door zijn linkerknieklachten, en niet zoals eerder is vastgesteld door de scheefstand van zijn wervelkolom, onderschrijft de Raad niet.
4. Op grond van het voorgaande kan het hoger beroep niet slagen en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD