ECLI:NL:CRVB:2007:BB9269

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-12 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van juiste vaststelling gedeeltelijke WAO-uitkering en medische geschiktheid functies

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het Uwv waarin hem een gedeeltelijke WAO-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Hij voerde aan dat zijn medische beperkingen door het Uwv waren onderschat en dat de door hem overgelegde medische informatie onvoldoende was meegewogen. Tevens stelde hij dat zijn gezondheidstoestand was verslechterd.

De rechtbank Rotterdam had eerder geoordeeld dat de belastbaarheid van appellant juist was vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en acht het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig en de conclusies juist. De Raad hecht geen gewicht aan de eigen mening van appellant over zijn gezondheidstoestand per 28 oktober 2004.

Er zijn in hoger beroep geen aparte grieven tegen de medische geschiktheid van de geselecteerde functies ingebracht. De Raad bevestigt de uitspraak en wijst op een afspraak met het Uwv om nader onderzoek te doen naar de vermeende verslechtering van de arbeidsongeschiktheid na de peildatum. Er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van de gedeeltelijke WAO-uitkering en de medische geschiktheid van geselecteerde functies.

Uitspraak

06/12 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2004, 05/1805 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv.
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft het Uwv nadere informatie van arbeidskundige aard ingezonden.
Appellant heeft medische informatie van diverse aard overgelegd, waarop door het Uwv is gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellant is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote [naam echtgenote]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 2 december 2004 heeft het Uwv appellant met ingang van 28 oktober 2004 in het genot gesteld van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Namens appellant heeft mr. M. de Nie, werkzaam bij Burgers Schaderegelingsbureau B.V. te Rotterdam, tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 14 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de belastbaarheid van appellant juist is vastgesteld en dat de geselecteerde functies voor hem in medisch opzicht geschikt zijn.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat en dat de door hem overgelegde medische informatie door het Uwv niet is meegewogen. Ten slotte wijst appellant er op dat zijn medische situatie langzamerhand is verslechterd.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van de onderhavige schatting onderschrijft de Raad. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, kan geen ander licht op de zaak werpen. Aan de eigen mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand op de thans in geding zijnde datum, 28 oktober 2004, kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien.
In hoger beroep zijn geen afzonderlijke grieven tegen het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies aangevoerd. De Raad overweegt dat hij in lijn met zijn uitspraak van 17 april 2007, LJN: BA2955, wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak over de medische geschiktheid van de geselecteerde functies onderschrijft.
De Raad overweegt ten overvloede dat ter zitting van de Raad met de vertegenwoordiger van het Uwv de afspraak is gemaakt dat het Uwv een nader onderzoek zal instellen ter zake van de door appellant gestelde toename van zijn arbeidsongeschiktheid door verslechtering van zijn gezondheidstoestand na 28 oktober 2004.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
MK