ECLI:NL:CRVB:2007:BB9193

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6068 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 39a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling medische geschiktheid en WAO-uitkering bij bezwaar tegen intrekking

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering in te trekken omdat hij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.

De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen van appellant onjuist zijn ingeschat. De Raad benadrukt dat raadpleging van behandelend artsen alleen nodig is indien sprake is van een behandeling die de arbeidsmogelijkheden significant beïnvloedt of indien de behandelend artsen een afwijkend standpunt innemen, wat hier niet het geval was.

Appellants eigen mening over zijn gezondheidstoestand wordt door de Raad niet als doorslaggevend beschouwd, mede omdat hij dit niet onderbouwde met medische gegevens. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/6068 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 september 2005, 05/1370 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Apistola, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Apistola. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts-Alsemgeest.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 29 september 2004 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant ingetrokken onder overweging dat appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet was.
Bij besluit van 14 februari 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het hiervoor genoemde besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv niet van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan bij het nemen van het bestreden besluit.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. In lijn met de jurisprudentie van de Raad inzake het zogenaamde claim beoordelings- en borgingssysteem -verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2004, LJN: AR4718- heeft de rechtbank geoordeeld dat de gewenste onderbouwing van de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies pas tijdens de procedure bij de rechtbank is gegeven.
Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand gelaten. Voorts heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat het Uwv het betaalde griffierecht aan appellant dient te vergoeden.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de belastbaarheid van appellant door het Uwv niet is overschat. Voorts is appellant het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De rechtbank had het bestreden besluit daarom op medische gronden moeten vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand mogen laten.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het medisch onderzoek in deze zaak onzorgvuldig is geweest.
Naar aanleiding van hetgeen in het aanvullend beroepschrift is aangevoerd, wijst de Raad erop dat raadpleging van de behandelend artsen door de verzekeringsarts is aangewezen in die gevallen waarin een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden van een betrokkene of indien een betrokkene stelt dat zijn behandelend artsen een beredeneerd afwijkend standpunt hebben over zijn beperkingen. Geen van die situaties heeft zich in het onderhavige geval voorgedaan.
Hetgeen namens appellant is aangevoerd met betrekking tot de onderschatting van zijn medische situatie is in hoger beroep niet onderbouwd met medische gegevens afkomstig van (behandelend) artsen.
De Raad overweegt voorts dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Aan de eigen mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat hij en zijn raadsman daaraan kennelijk gehecht willen zien.
De omstandigheid dat appellant met ingang van 24 maart 2005 met toepassing van artikel 39a van de WAO een uitkering ingevolge de WAO is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% maakt dit ook niet anders.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat appellant op 24 februari 2005 wegens een verergering van zijn rugklachten een ziekmelding heeft gedaan bij het Uwv.
Uit de brief van de neuroloog A. Verkijk van 20 mei 2005 blijkt dat appellant eind maart 2005 die neuroloog wederom heeft geraadpleegd vanwege die verergering.
Uit die brief blijkt niet dat er van die verergering ook al sprake was op de datum die thans in geding is en ook blijkt uit die brief niet dat Verkijk van oordeel zou zijn dat appellant geen rugsparend werk kon doen op de datum in geding.
Voorts overweegt de Raad dat hij in lijn met zijn uitspraak van 17 april 2007,
LJN: BA2955, wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak over de medische geschiktheid van de geselecteerde functies onderschrijft.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting merkt de Raad op dat de in vet gedrukte vier functies in het rapport van 29 september 2004 van de arbeidsdeskundige
C. Passchier, die aan de onderhavige schatting ten grondslag zijn gelegd, dezelfde zijn als de eerste vier functies die zijn vermeld in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige
H. de Rooy van 11 oktober 2007.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
JL