Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering WAO-uitkering op grond van juiste arbeidskundige beoordeling
Appellant verzocht om een WAO-uitkering, welke door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank dat alleen het arbeidskundige aspect van de beoordeling in geschil was en vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet geschikt was voor de geduide functies vanwege fysieke beperkingen en zijn snel afgeleid zijn in een werkomgeving met anderen. De Raad overwoog dat de kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (kFML) voor appellant werk voorschrijft zonder afleiding en met voorspelbare werksituatie, en dat de functies een afgebakende deeltaken omvatten zonder onderlinge afhankelijkheid.
De Raad achtte het aannemelijk dat alle relevante beperkingen in de arbeidskundige beoordeling waren meegenomen en concludeerde dat appellant medisch gezien geschikt is voor de functies. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 AwbPro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens juiste arbeidskundige beoordeling.
Uitspraak
05/6657 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 oktober 2005, 05/452 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts-Alsemgeest.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 9 januari 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 24 april 2003 in het genot te stellen van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, onder de overweging dat appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is. Bij besluit van 14 juni 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 januari 2004 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 november 2004, 04/2931, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het door appellant ingestelde beroep op arbeidskundige gronden gegrond verklaard en het besluit van 14 juni 2004 vernietigd. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen en daarnaast bepalingen nopens de vergoeding van griffierecht en proceskosten gegeven.
Bij besluit van 16 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 januari 2004 wederom ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat alleen de arbeidskundige kant van de onderhavige schatting in geschil is. In lijn met de jurisprudentie van de Raad inzake het zogenaamde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) – verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2004, LJN: AR4718 – heeft de rechtbank geoordeeld dat de gewenste onderbouwing van de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies pas tijdens de procedure bij de rechtbank is gegeven. Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand gelaten. Voorts heeft de rechtbank bepalingen nopens de vergoeding van griffierecht en proceskosten gegeven.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat appellant niet geschikt is voor de geduide functies. Deze functies - alle productiefuncties - vragen, volgens appellant, te veel van zijn armen en schouders en bovendien moet bij het vervullen van de functies in één ruimte met collega’s worden gewerkt, hetgeen bezwaarlijk is omdat appellant snel is afgeleid.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.
Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat in dit geding slechts het arbeidskundige aspect van de onderhavige schatting aan de orde is.
Met betrekking tot de ter zitting van de Raad namens appellant toegelichte grief inzake zijn onvermogen tot samenwerken als gevolg van het snel afgeleid zijn door de aanwezigheid van andere personen in de werkomgeving merkt de Raad in de eerste plaats op dat appellant blijkens de voor hem vastgestelde zogeheten kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (kFML) – welke lijst inmiddels in rechte vaststaat – is aangewezen op werk waarbij hij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen en tevens is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen. Voorts is appellant volgens de kFML op het terrein van samenwerken beperkt in die zin dat hij met anderen kan werken, maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. De Raad vermag, gelet op het vorenstaande, niet in te zien waarom appellant niet in staat zou zijn werkzaamheden te verrichten, behorende bij de voor hem geselecteerde functies, waarin blijkens het Resultaat functiebeoordeling van 29 augustus 2005 sprake is van een afgebakende (deel)taak, bij het verrichten waarvan appellant en zijn collega’s niet van elkaar afhankelijk zijn. Dat als beperking voor appellant zou gelden dat er in de ruimte waarin appellant zijn werkzaamheden verricht geen andere personen dan appellant aanwezig mogen zijn kan naar het oordeel van de Raad niet uit de kFML worden afgeleid.
Het is voor de Raad, gelet in het bijzonder op de in beroep uitgebrachte rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.J. Noordermeer van eveneens 29 augustus 2005, in voldoende mate aannemelijk geworden dat deze alle met het oog op het vervullen van de geduide functies relevante beperkingen van appellant, zoals deze door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn vastgesteld, in ogenschouw heeft genomen.
De Raad is dan ook van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellant te liggen.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.