ECLI:NL:CRVB:2007:BB9012

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2175 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking ziekengeld wegens geschiktheid tot arbeid na medisch onderzoek

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om met ingang van 9 februari 2005 zijn ziekengeld in te trekken, omdat hij volgens het UWV niet langer wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. De rechtbank ’s-Gravenhage had het bezwaar ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad toetste de medische onderbouwing van het besluit, waarbij de bevindingen van de verzekeringsarts centraal stonden. Deze arts concludeerde dat appellant belastbaar was voor zijn werk als postmedewerker, mede gebaseerd op het feit dat appellant tijdens het medisch onderzoek niet angstig overkwam en in staat was zijn financiële zaken zelfstandig te regelen. De door appellant aangevoerde tegenargumenten, zoals het niet alleen kunnen reizen, werden door de Raad niet doorslaggevend geacht.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de informatie van de behandelend psychiater de conclusies van de verzekeringsarts ondersteunde. Op grond hiervan werd het hoger beroep verworpen en de intrekking van het ziekengeld bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van het ziekengeld blijft gehandhaafd.

Uitspraak

06/2175 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 maart 2006, 05/6207 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.W. Willering, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Tevens was aanwezig de broer van appellant, [naam broer]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 21 februari 2005 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van 9 februari 2005 geen recht (meer) heeft op ziekengeld omdat hij op deze datum niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Bij besluit op bezwaar van 26 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de primaire verzekeringsarts, die appellant psychisch en lichamelijk heeft onderzocht, en de omstandigheid dat de informatie van de behandelend psychiater
V. Artist van 29 april 2005 en 20 mei 2005 – waaruit blijkt dat de medicatie van appellant is aangepast en dat de angstklachten van appellant begin februari 2005 redelijk [lees: gedeeltelijk] in remissie zijn maar nog niet helemaal verdwenen – de onderzoeksbevindingen van zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts ondersteunt.
De Raad overweegt als volgt.
Ten aanzien van de stelling van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de informatie van de psychiater de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts ondersteunt, is de Raad van oordeel dat deze grief niet met medische gegevens is onderbouwd en onvoldoende aanknopingspunten biedt om te twijfelen aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. De Raad kan zich dan ook verenigen met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep verder is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
In de rapportage van 8 februari 2005, naar aanleiding van het spreekuur van diezelfde dag, van verzekeringsarts S.M. Oosterhout baseert deze zijn conclusie, dat appellant belastbaar is voor zijn werk als postmedewerker, mede op de veronderstelling dat appellant in staat is om alleen naar Den Haag terug te reizen. Ter zitting heeft de broer van appellant daarentegen verklaard dat hij samen met appellant naar Amsterdam is gereisd om appellant naar bovengenoemd spreekuur te begeleiden, waarna hij samen met appellant weer is teruggereisd. De gemachtigde van het Uwv heeft hierop ter zitting verklaard dat ten tijde van het desbetreffende spreekuur slechts sprake was van een voornemen van appellant om alleen terug te reizen. Het enkele feit dat gemotiveerd is bestreden dat appellant niet alleen naar Den Haag is teruggereisd, kan naar het oordeel van de Raad echter niet van doorslaggevende betekenis zijn. Uit bovengenoemd rapport van de verzekeringsarts is gebleken dat naast het alleen reizen ook andere factoren bij de beoordeling een rol hebben gespeeld. De verzekeringsarts heeft ook mee laten wegen dat appellant tijdens het spreekuur niet angstig overkomt, hij in staat is om zijn financiële zaken zelfstandig te regelen en in staat is een gesprek aan te gaan met de procesbegeleider over de hoogte van zijn uitkering. Nu de verzekeringsarts appellant voorts psychisch heeft onderzocht is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts niet onzorgvuldig en onvolledig is geweest.
Gelet op het vorenstaande heeft het Uwv appellant dan ook op juiste gronden met ingang van 9 februari 2005 geschikt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) P. van der Wal.
TM