ECLI:NL:CRVB:2007:BB9007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant, werkzaam als horecamedewerker, viel in 1999 uit met psychische klachten en ontving een WAO-uitkering op basis van een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. Na heronderzoek werd appellant geschikt geacht voor gangbare arbeid, waarna zijn WAO-uitkering werd ingetrokken en hij een WW-uitkering ontving. In 2004 meldde appellant zich opnieuw ziek met toegenomen psychische klachten. Na medisch onderzoek in 2005 concludeerden verzekeringsartsen dat appellant geen extra beperkingen had en geschikt was voor de eerder voorgehouden functies.
Het Uwv besloot daarom de Ziektewet-uitkering per 1 augustus 2005 te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, maar de bezwaarverzekeringsarts bevestigde het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordelingen zorgvuldig waren en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om dit oordeel te weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag lagen aan de WAO-beoordeling. De Raad wijst erop dat de medische onderzoeken zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat appellant geen nieuwe medische feiten heeft aangedragen die tot een ander oordeel zouden leiden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de Ziektewet-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewet-uitkering per 1 augustus 2005 wordt bevestigd omdat appellant geschikt is voor de eerder voorgehouden functies.