ECLI:NL:CRVB:2007:BB8948

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5885 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante verzocht om een WAO-uitkering vanaf 17 november 2003, maar het UWV weigerde deze omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de belastbaarheid niet was overschat. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd had en dat de belastbaarheid wel was overschat.

De Centrale Raad van Beroep heeft het medisch bewijs, waaronder rapporten van orthopedisch chirurg Schreuder en verzekeringsarts Den Otter, beoordeeld. Schreuder kon zijn beperkingen niet objectiveren en onderbouwde zijn conclusie onvoldoende. Den Otter had appellante uitgebreid onderzocht en beperkingen vastgesteld die medisch verantwoord waren. De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van het UWV en de rechtbank te verwerpen.

De Raad wees het verzoek om een nader medisch onderzoek af en bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, en er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door K.J.S. Spaas en uitgesproken op 27 november 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/5885 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2005, 05/1012 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 7 februari 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv onder meer ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 20 augustus 2004, waarbij het Uwv heeft geweigerd appellante met ingang van 17 november 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verlenen onder overweging dat appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet was.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat het medisch onderzoek in deze zaak zorgvuldig is geweest en dat het Uwv de belastbaarheid van appellante op de datum in geding niet heeft overschat. De voor appellante geselecteerde functies acht de rechtbank in medisch opzicht geschikt.
Hetgeen de gemachtigde van appellante in hoger beroep heeft aangevoerd komt erop neer dat, nu de rechtbank geen onderzoek heeft opgedragen aan een medisch deskundige maar zelf aan de hand van de beschikbare medische gegevens een oordeel heeft gegeven over de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, de rechtbank haar oordeelsvorming onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd. Voorts houdt de gemachtigde vol dat appellantes belastbaarheid door het Uwv is overschat op de datum in geding.
De Raad overweegt het volgende.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak zowel de wijze van totstandkoming als het resultaat van het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv getoetst, hetgeen blijkt uit de overwegingen op bladzijde 2 van de aangevallen uitspraak. De Raad acht die overwegingen helder en inzichtelijk. In de uitspraak is duidelijk aangegeven waarom de rechtbank het standpunt van het Uwv zowel naar wijze van totstandkoming als naar inhoud juist acht.
Voor zover de gemachtigde heeft bedoeld te stellen dat niet alle argumenten van de door haar ingeschakelde orthopedisch chirurg O. Schreuder en van de Directrice van het Instituut Psychosofia zijn besproken, wijst de Raad erop dat er noch voor de bestuursrechter noch voor het Uwv een gehoudenheid bestaat om op alle door of namens een belanghebbende aangevoerde medische argumenten afzonderlijk in te gaan. De Raad heeft dit al eerder overwogen in zijn uitspraak van 15 mei 2007, LJN: BA5367.
Wat betreft de aanspraken ingevolge de WAO van appellante op de datum
17 november 2003 overweegt de Raad dat hij het onderzoek van de primaire verzekeringsarts J.F. den Otter zowel zorgvuldig uitgevoerd als inhoudelijk juist acht.
Uit de stukken blijkt dat Den Otter appellante zelf uitvoerig en ook lichamelijk heeft onderzocht. Vervolgens is zij in afzonderlijke aanvullende rapporten ingegaan op de gegevens die de RIAGG Rijmond Noord-West Vlaardingen en de huisarts hebben verstrekt.
Wat betreft de rugklachten spoort de diagnose van Den Otter te weten: lumbago en pseudo-radiculaire klachten, volledig met hetgeen de behandelend neuroloog hierover aan de huisarts heeft medegedeeld.
Uit de door de RIAGG gegeven informatie blijkt dat appellante ten tijde als hier van belang was aangemeld voor een groepsbehandeling voor vrouwen met depressieve klachten en dat zij twee keer per week het slaapmiddel Zoplicon kreeg voorgeschreven.
Den Otter heeft appellante beperkt wat betreft rugbelastende activiteiten en ook aanzienlijke beperkingen opgelegd wat betreft persoonlijk en sociaal functioneren.
Het rapport van 16 november 2004 van de orthopedisch chirurg O. Schreuder aan appellantes gemachtigde over appellantes gezondheidstoestand, brengt in het oordeel van de Raad geen verandering, ook niet als daarbij zijn nader rapport van 8 maart 2005 aan appellantes gemachtigde wordt betrokken.
Het is de Raad opgevallen dat Schreuder in zijn rapport van 16 november 2004 enig progressiviteit wat betreft de rugaandoening signaleert bij beoordeling van een MRI uit 2004 vergeleken met een MRI uit 2003. Echter hij verwerpt de diagnose van Den Otter en de behandelend neuroloog niet en geeft bovendien niet aan waarom het oordeel van Den Otter dat appellante met haar beperkingen geschikt is voor rugsparend werk op
17 november 2003 onjuist zou zijn.
Voorts beschrijft Schreuder moeheid in de schouder- en nek gordel die hij niet kan objectiveren en waarvoor hij blijkbaar ook geen beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid kan aangeven.
Wat betreft de depressieve klachten motiveert Schreuder niet waarom de aanzienlijke beperkingen die Den Otter heeft aangegeven nog te gering en dus onjuist zouden zijn.
Al evenmin heeft Schreuder, die appellante ook heeft onderzocht, zelfstandig beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid vastgesteld. Zijn conclusie dat appellante niet duurzaam belastbaar is met arbeid heeft hij niet onderbouwd.
De rapportage van Schreuder heeft daarom bij de Raad onvoldoende twijfel gezaaid met betrekking tot de juistheid van het oordeel van het Uwv en de rechtbank met betrekking tot appellantes belastbaarheid op de datum in geding.
De Raad is daarom van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen.
Het verzoek om een deskundige te benoemen voor een nader medisch onderzoek wijst de Raad af.
Ten slotte overweegt de Raad dat hij, bezien bij het licht van zijn uitspraak van
17 april 2007, LJN: BA2955, evenals de rechtbank de functies die aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht geschikt acht.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
MK