ECLI:NL:CRVB:2007:BB8455
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van diverse oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Zij baseerde haar aanvraag op gezondheidsklachten die zij toeschreef aan deze ervaringen, waaronder internering, getuige zijn van mishandelingen en beschietingen, en vlucht en evacuatie.
De Raad oordeelde dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer vereist is dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Algemene oorlogsomstandigheden volstaan niet. De Raad vond onvoldoende objectief bewijs voor de gestelde internering, mishandeling, onderduik, en andere gebeurtenissen, en wees verklaringen van appellante en haar zuster zonder aanvullende gegevens af.
De Raad concludeerde dat de omstandigheden die appellante beschreef niet voldoen aan de wettelijke criteria voor erkenning. Hoewel zij tijdens de oorlog angstige omstandigheden heeft ervaren, leidt dit niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.