ECLI:NL:CRVB:2007:BB7915
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering ondanks WSW-verleden
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 februari 2004 in te trekken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen daarvan.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn medische toestand sinds 2002 ongewijzigd was en dat zijn psychische problemen onverminderd aanwezig waren. Tevens wees hij op zijn verleden binnen de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en stelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom hij toch in staat zou zijn functies in het vrije bedrijfsleven te verrichten.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, waarbij werd vastgesteld dat het bestreden besluit gebaseerd was op een zorgvuldige medische beoordeling. Appellant kon zijn stelling niet onderbouwen met concrete medische gegevens die relevant waren voor de peildatum. De Raad concludeerde dat appellant op die datum in staat was om de geselecteerde functies uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem te verrichten, ondanks zijn WSW-verleden.
Daarom werd de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd en werd het hoger beroep van appellant afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant op de peildatum in staat wordt geacht functies in het vrije bedrijfsleven te verrichten.