ECLI:NL:CRVB:2007:BB7844

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5009 WAO+04-5161 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.W.J. Schoor
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WAOArt. 7a WAOArt. 16 WAOArt. 19 WAOArt. 36a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens niet-verzekerd zijn

Appellante ontving aanvankelijk ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) en later een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok de WAO-uitkering met terugwerkende kracht in omdat appellante niet verzekerd was op het moment van arbeidsongeschiktheid. Tevens werd de te veel betaalde WAO-uitkering teruggevorderd.

De Raad overwoog dat appellante ten tijde van haar arbeidsongeschiktheid geen ZW-uitkering ontving en dat haar WW-uitkering terecht was beëindigd en teruggevorderd. Hierdoor kon zij geen werknemerschap ontlenen aan artikel 7a van de WAO en was zij niet verzekerd volgens de WAO. Het feit dat het recht op ziekengeld wegens procedurele fouten in stand bleef, kon niet leiden tot een blijvende grondslag voor de WAO-uitkering.

De Raad vond geen dringende redenen om af te zien van intrekking en terugvordering. De aangevallen uitspraken van de rechtbank Rotterdam werden bevestigd. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering daarvan worden bevestigd omdat appellante niet verzekerd was op het moment van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/5009 WAO + 04/5161 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2004, 03/1049 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 03/1050 (hierna aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft besloten de zaken gevoegd te behandelen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Hanenberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
De Raad verwijst naar zijn in een eerdere zaak tussen appellante en het Uwv gewezen uitspraak van 1 december 2004, 02/6033 WW voor een uitvoerige weergave van de ook in deze gedingen in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden.
In die uitspraak heeft de Raad, kort gezegd, geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellante, die vanaf 13 januari 1997 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, vanaf 24 januari 1997 gedurende 36 uur per week werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht en het Uwv daarover niet heeft ingelicht.
Het Uwv heeft daarom naar het oordeel van de Raad terecht besloten de uitkering ingevolge de WW van appellante en de toeslag ingevolge de Toeslagenwet met terugwerkende kracht tot 24 januari 1997 te beëindigen en de teveel betaalde uitkering en toeslag van appellante terug te vorderen.
Voorts heeft appellante zich op 7 april 1997 ziek gemeld naar aanleiding waarvan haar over de maximale periode ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) is verstrekt. Aansluitend is haar met ingang van 6 april 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend.
Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 7 mei 2007 verklaard dat het aan appellante toegekende ziekengeld ingevolge de ZW is ingetrokken en teruggevorderd maar dat een bezwaar tegen een daarop betrekking hebbend besluit gegrond is verklaard, omdat de uitkeringsstukken inzake de ZW onvindbaar waren. In een besluit op bezwaar is tevens aangekondigd dat een nieuwe beoordeling zou worden gemaakt wat betreft de terug-vordering van het ziekengeld maar die aangekondigde beoordeling heeft volgens het Uwv nimmer plaatsgevonden.
Bij besluit van 21 november 2001 heeft het Uwv besloten de WAO-uitkering van appellante met terugwerkende kracht in te trekken op de grond dat appellante niet verzekerd was ingevolge de WAO.
Bij een tweede besluit van dezelfde datum heeft het Uwv besloten de over de periode van 6 april 1998 tot 1 februari 2001 betaalde WAO-uitkering ten bedrage van € 34.821,13 (ƒ 76.735,67) van appellante terug te vorderen.
Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 24 februari 2003, nr. 2002.50822, verder: besluit 1, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de intrekking van de WAO-uitkering ongegrond verklaard.
Bij besluit van 24 februari 2003, nr. 2002.50837, verder: besluit 2, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de terugvordering van de WAO-uitkering ongegrond verklaard.
Bij aangevallen uitspraak 1 is het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard en bij aangevallen uitspraak 2 is het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.
In het beroepschrift aan de Raad heeft mr. Hanenberg onder meer erop gewezen dat het recht op ziekengeld ingevolge de ZW in stand is gebleven en dat daardoor grondslag voor de verzekering ingevolge de WAO is blijven bestaan.
In de hiervoor vermelde brief van 7 mei 2007 heeft het Uwv desgevraagd de hiervoor weergegeven gang van zaken met betrekking tot het ziekengeld uiteengezet. Voorts heeft het Uwv onder meer het volgende gesteld:
"Dat door procedurele fouten het recht op ziekengeld in stand is gebleven, kan er naar ons oordeel niet toe leiden dat bovenwettelijk de grondslag op WAO-uitkering in stand zou moeten blijven nu uw Raad al heeft uitgesproken dat die grondslag is komen te vervallen. Verder geldt, dat ZW-uitkering als algemene regel wel een grondslag voor de verzekering op grond van de WAO oplevert, maar dat dit in de onderhavige zaak op grond van rechtsverfijning niet kan gelden nu uitsluitend door een procedurele/formele oorzaak het ziekengeld materieel niet meer kan worden ontnomen. Het op een dergelijke wijze onaantastbaar worden van een onrechtmatig verkregen WAO-uitkering zou aldus leiden tot een consequentie die door de wetgever volstrekt niet werd beoogd met het bepaalde in artikel 7, aanhef en onder a van de WAO.
Ook vestigen wij de aandacht op de uitspraak van uw Raad van 1 december 2004 02/6033, WW RO12 96, waaruit blijkt dat de WW-uitkering terecht werd beëindigd en dat de verstrekte uitkering op goede gronden werd teruggevorderd."
De Raad overweegt het volgende.
Uit artikel 16 en Pro artikel 19 van Pro de WAO volgt dat uitsluitend een werknemer in de zin van die wet verzekerd is en dat alleen iemand die verzekerd is bij het intreden van arbeidsongeschiktheid in verband met die arbeidsongeschiktheid aanspraak kan maken op een WAO-uitkering.
In artikel 7, aanhef en onder a, van de WAO is bepaald dat degene die krachtens de verplichte verzekering ingevolge de WW uitkering ontvangt voor de toepassing van de WAO als werknemer in de zin van die wet wordt beschouwd.
Voorts is in artikel 7a, aanhef en onder a, van de WAO bepaald dat voor de toepassing van de WAO mede als werknemer in de zin van die wet wordt beschouwd degene die krachtens de verplichte verzekering ingevolge de ZW ziekengeld ontvangt.
De Raad stelt vast dat appellante ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid op 7 april 1997 geen uitkering ingevolge de ZW ontving, zodat zij aan artikel 7a van de WAO geen werknemerschap kon ontlenen.
Voorts overweegt de Raad dat appellante een uitkering ingevolge de WW ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid op 7 april 1997 ontving maar dat met de uitspraak van de Raad van 1 december 2004, 02/6033 WW, is komen vast te staan dat zij op die uitkering geen aanspraak kon maken en dat die uitkering terecht van haar is teruggevorderd.
Appellante was daarom ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid niet verzekerd ingevolge de WAO, omdat zij geen werknemer in de zin van die wet was. Zij kon in verband met de op 7 april 1997 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen aanspraak op uitkering aan de WAO ontlenen.
In het onderhavige geval is de toekenning van WAO-uitkering op de hiervoor vermelde grond met terugwerkende kracht tot de datum van ingang van de uitkering ingetrokken. Artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de WAO maakt intrekking met terugwerkende kracht mogelijk bij overtreding van de inlichtingenplicht door een verzekerde of indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
De Raad stelt vast dat indien appellante het Uwv tijdig en spontaan van haar activiteiten in [naam Toko] op de hoogte had gesteld geen uitkering ingevolge de WAO zou zijn verleend of in elk geval eerst nader onderzoek naar haar verdiensten zou zijn gedaan, zodat haar kan worden verweten dat ten onrechte uitkering ingevolge de WAO is verstrekt. De Raad is al evenmin als de rechtbank gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.
De door mr. Hanenberg ter zitting geuite veronderstelling dat appellante vanaf 7 april 1997 vanwege ziekte minder dan 36 uur per week zal zijn gaan werken en dat het Uwv, indien appellante dat zou hebben verzocht, haar alsdan het werknemerschap in de zin van de WW zou hebben (moeten) hergeven, waardoor zij uiteindelijk wel aanspraak op ziekengeld en WAO-uitkering zou hebben verkregen, doet niet af aan het gegeven dat zo'n verzoek in feite niet is gedaan door appellante op het daarvoor geëigende tijdstip. Een beoordeling van aanspraken op basis van een niet gedaan verzoek valt buiten de omvang van de onderhavige gedingen.
Uit het vorenstaande volgt dat aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.
Tegen aangevallen uitspraak 2 die handelt over de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering zijn in hoger beroep geen afzonderlijke grieven aangevoerd.
De Raad volstaat om die reden met de overweging dat hetgeen in aangevallen uitspraak 2 is overwogen met betrekking tot de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering en het niet gebleken zijn van dringende redenen om daarvan af te zien hem niet onjuist is voorgekomen.
Ook aangevallen uitspraak 2 komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.R. van der Vos.
MH