ECLI:NL:CRVB:2007:BB7219

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7289 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning WAO-uitkering en vergoeding wettelijke rente na eerdere weigering

Appellant vroeg om een WAO-uitkering die het UWV aanvankelijk per besluit van 30 november 2004 weigerde omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard en de rechtbank Arnhem wees het beroep af. Later, bij een nieuw besluit van 3 september 2007, stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid alsnog vast op 80 tot 100% met ingang van 13 november 2004.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het belang bij beoordeling van het oorspronkelijke besluit daarmee vervallen was, tenzij er procesbelang bestond, zoals bij het verzoek om schadevergoeding. Appellant verzocht om vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en proceskosten. De Raad volgde de jurisprudentie en kende deze vergoeding toe, verwijzend naar eerdere uitspraken over de berekeningswijze.

De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot betaling van schadevergoeding, proceskosten en griffierecht. Hiermee werd appellant alsnog de WAO-uitkering toegekend met de daarbij behorende financiële compensaties.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot toekenning van de WAO-uitkering, vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

05/7289 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 november 2005, 05/1465 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.J.A. Aerts, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 3 september 2007 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar van gelijke datum afgegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2007. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 30 november 2004 heeft het Uwv appellant per 3 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, aangezien hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Het namens appellant tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 17 maart 2005 (hierna: het betreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Met het nadere besluit van 3 september 2007 heeft het Uwv te kennen gegeven zijn oorspronkelijk ingenomen standpunt inzake de weigering van de WAO-uitkering met ingang van 3 november 2004 niet langer te handhaven. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is met ingang van 13 november 2004 alsnog vastgesteld op 80 tot 100%.
De Raad stelt vast dat, zoals ook namens appellant is bericht, het besluit van het Uwv van 3 september 2007 geheel tegemoet komt aan het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, zodat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep niet wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.
Uit de uitspraak van de Raad van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo’n geval het belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb.
Namens appellant is bij schrijven van 5 september 2007 onder meer verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering.
Ingevolge de jurisprudentie van de Raad dient dit verzoek te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop de aan appellant toekennende rente dient te worden berekend, volstaat de Raad met een verwijzing naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.
Voorts dient de aan de zijde van appellant gevallen proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te worden vergoed. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.
JL