ECLI:NL:CRVB:2007:BB7016

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5079 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 4:5 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herhaalde aanvraag WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar verzoek om terug te komen op een eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit tot weigering van een WAO-uitkering af te wijzen. Het UWV baseerde dit besluit op het feit dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die de eerdere beslissing onjuist zouden maken.

De Raad verwijst naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat een nieuwe aanvraag alleen in behandeling wordt genomen indien er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn. Het onderzoek toonde aan dat de door appellante overgelegde stukken, waaronder een brief van haar psychiater, geen wezenlijk nieuwe informatie bevatten.

De Raad oordeelt dat het UWV bevoegd was het verzoek af te wijzen zonder toepassing van artikel 4:5 Awb Pro en dat het hoger beroep niet slaagt. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Maastricht wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag voor een WAO-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

05/5079 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 juli 2005, 05/435 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld en is een aanvullend stuk met bijlagen ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2007, waar appellante met bericht van afwezigheid niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 6 november 2003 heeft het Uwv geweigerd gevolg te geven aan het verzoek van appellante om terug te komen van zijn in rechte onaantastbaar geworden besluit van 23 januari 2002, waarbij is geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen. Aan eerstgenoemd besluit ligt ten grondslag dat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Bij besluit van 21 juli 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 november 2003, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts, ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellantes brief van
17 februari 2003 alsook het aan haar verzoek ten grondslag gelegde schrijven van de behandelend psychiater W.A.F. Sondermeijer van 21 januari 2003 geen relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermelden.
De Raad overweegt dat in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen en maakt deze tot de zijne. De overgelegde brief van psychiater Sondermeijer bevat geen wezenlijk andere informatie dan waarmee bij het besluit van 23 januari 2002 reeds rekening is gehouden. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie bevat evenmin nieuwe feiten of omstandigheden met betrekking tot de datum in geding, nog daargelaten dat ingevolge artikel 4:6 van Pro de Awb deze informatie bij het verzoek om herziening had dienen te worden overgelegd.
Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van appellante af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 23 januari 2002. In hetgeen door appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 november 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
JL