ECLI:NL:CRVB:2007:BB6423

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7195 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • J.F. Bandringa
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van besluit tot intrekking WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid

Appellante was sinds 3 augustus 1998 arbeidsongeschikt verklaard vanwege letsel aan beide handen en ontving vanaf 3 augustus 1999 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 9 december 2004 in, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. Appellante voerde aan dat zij door handbeperkingen, dyslexie, analfabetisme en een slechte psychische toestand niet tot arbeid in staat was.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende transparantie van de arbeidskundige onderbouwing, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat later een voldoende onderbouwing was gegeven. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. Medische rapporten van verzekeringsarts en plastisch chirurg toonden bruikbare handfunctie en geen significante psychopathologie. Appellantes eigen medische informatie over verslechtering na 9 december 2004 kon niet worden meegenomen.

De Raad concludeerde dat appellante op de peildatum wel degelijk in staat was tot het verrichten van diverse functies, ondanks haar beperkingen. Er waren voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen beschikbaar. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bleef gehandhaafd. Appellante kan een nieuwe beoordeling aanvragen indien haar gezondheidstoestand later verslechtert.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 9 december 2004 wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/7195 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2005, 05/1960 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.H.J. Strak, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 19 oktober 2006 een reactie gegeven op de namens appellante bij brieven van 7 februari en 20 april 2006 toegezonden medische informatie.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar raadsman Strak.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is op 3 augustus 1998 in verband met letsel aan beide handen ongeschikt geworden voor haar werkzaamheden als productiemedewerkster op uitzendbasis voor 30,8 uur per week. Vanaf 3 augustus 1999 ontving zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 11 oktober 2004 heeft Uwv de uitkering ingetrokken met ingang van 9 december 2004 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per die datum is afgenomen naar minder dan 15%. Het bezwaar van appellante is bij besluit van
12 april 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het besluit van 12 april 2005, hierna: het bestreden besluit, beroep bij de rechtbank ingesteld.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. De rechtbank stelde vast dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit, waarbij gebruik is gemaakt van het CBBS als ondersteunend systeem, onvoldoende transparant, verifieerbaar en toetsbaar is. Om deze reden heeft zij het bestreden besluit vernietigd, waarbij zij tevens bepalingen heeft gegeven omtrent griffierecht en proceskostenvergoeding. In de omstandigheid dat in de loop van de beroepsprocedure de noodzakelijke en naar het oordeel van de rechtbank voldoende draagkrachtige onderbouwing wel is gegeven – namelijk in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 juli 2005 – heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.
De rechtbank heeft hierbij nog het volgende overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder:
“Eiseres is nog steeds van mening dat, nu zij slechts redelijk kan lezen en niet kan schrijven, (zij) niet in staat kan worden geacht de haar geduide functies te verrichten.
Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder, bij het duiden van functies, kennelijk geen rekening heeft gehouden met dit gegeven.
Rekening houdend met dit gegeven heeft de rechtbank de door verweerder geduide functies nauwkeurig bezien. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat eiseres in staat moet worden geacht de volgende functies te verrichten:
a. SBC-code 272043:
- stikster meubelbekleding, functienummer 2571-0063-012 met 5 arbeidsplaatsen en
- coupeuse, functienummer 2272-0034-004 met 3 arbeidsplaatsen,
b. SBC-code 111190:
- inpakster koekjes, functienummer 2084-0097-010 met 3
arbeidsplaatsen en
- inpakster, functienummer 6117-0071-001 met 90 arbeidsplaatsen,
c. SBC-code 111180:
- monteuse, functienummer 3622-0016-002 met 6 arbeidsplaatsen
en
- monteuse, functienummer 3622-0016-01 met 2 arbeidsplaatsen.
De rechtbank komt op grond van het bovenstaande dan ook tot de conclusie dat er voldoende functies resteren met voldoende arbeidsplaatsen om de schatting te kunnen dragen.”
Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. In hoger beroep heeft zij haar in bezwaar en beroep aangevoerde stellingen herhaald dat het medisch onderzoek niet volledig is geweest en dat zij niet tot het verrichten van arbeid in staat is vanwege haar handbeperkingen, dyslexie en analfabetisme en haar slechte psychische toestand. Zij heeft nog nadere informatie in het geding gebracht van de revalidatiearts P.J. Janssens en meegedeeld dat zij inmiddels onder behandeling van het RIAGG is.
De Raad overweegt als volgt.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep en ter zitting van de Raad is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.
Op 17 mei 2004 heeft appellante een vragenlijst ingevuld en daarin over de aard en de ernst van haar klachten op dat moment aangegeven dat zij nog steeds krachtverlies in de linkerhand had, dat zij niet onder medische behandeling stond en dat zij door de huisarts medicatie kreeg voorgeschreven. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek van appellante op 25 augustus 2004 geconstateerd dat er zowel links als rechts een bruikbare handfunctie bestond en dat er geen psychopathologie van betekenis aanwezig was. Appellantes plastisch chirurg A.H. Trenning berichtte dat hij bij zijn onderzoek op 11 januari 2005 geen afwijkingen kon constateren. Bezien tegen de achtergrond van deze gegevens kan appellantes standpunt – dat er op neerkomt dat zij op de in geding zijnde datum 9 december 2004 in het geheel niet tot arbeid in staat was omdat zij haar beide handen niet kon gebruiken en zij psychisch ernstig ziek was – zonder nadere medische onderbouwing niet aannemelijk worden geacht.
De Raad merkt op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid op 9 december 2004. Met een eventuele verslechtering van appellantes gezondheidstoestand van na deze datum, – waarop de behandeling door de revalidatiearts P.J. Janssens in 2006 en de verwijzing naar het RIAGG – mogelijk duiden, kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Appellante kan zich desgewenst tot het Uwv wenden met het verzoek de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen.
De Raad deelt met betrekking tot de geduide functies voorts geheel de hierboven weergegeven overwegingen en conclusies van de rechtbank.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M. Gunter.
JL