ECLI:NL:CRVB:2007:BB6347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende onderbouwde WAO-schatting leidt tot vernietiging besluit
Appellant, voormalig automonteur, kreeg een WAO-uitkering wegens rugklachten. Na een herbeoordeling in 2003 stelde het Uwv beperkingen vast en selecteerde geschikte functies met een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Het Uwv trok daarop de uitkering per 1 december 2003 in. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep stelde appellant dat de beperkingen waren onderschat, met name dat het belang van afwisseling van houding onvoldoende was verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De Raad constateerde dat de FML geen beperking bevatte bij het punt afwisseling van houding, terwijl artsen dit essentieel achten. De argumentatie van het Uwv dat afwisseling automatisch wordt bereikt door beperkingen op zitten en lopen werd onvoldoende geacht.
De Raad oordeelde dat de geschiktheid van de functies onvoldoende was toegelicht en dat het bestreden besluit niet op een voldoende deugdelijke grondslag berust. Daarom vernietigde de Raad het besluit volledig en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.