ECLI:NL:CRVB:2007:BB6208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit over ingangsdatum herziening WAZ-uitkering zonder bijzonder geval
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAZ-uitkering per 1 juli 2002 te herzien naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde de ingangsdatum van de herziening uiteindelijk vast op 25 september 2001, een jaar voor de datum waarop appellant melding maakte van toegenomen klachten. Appellant stelde dat hij al sinds 1997 klachten had en dat zijn visusproblemen hem belemmerden om tijdig melding te maken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat appellant niet had aangetoond dat sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 36, lid 2 WAZ, dat een terugwerkende kracht van de herziening zou rechtvaardigen. Hoewel appellant door zijn beperkte gezichtsvermogen mogelijk slecht zicht had op wat hij ondertekende, had hij via mondeling overleg met anderen tijdig melding kunnen maken.
Appellant was niet verschenen bij de zittingen, ondanks tijdige kennisgeving en zonder verzoek tot uitstel vanwege medische redenen. De Raad achtte het onderzoek daarom gesloten en deed schriftelijk uitspraak. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de herziening van de WAZ-uitkering terecht per 25 september 2001 is vastgesteld zonder toepassing van een bijzonder geval.