ECLI:NL:CRVB:2007:BB6097
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Hij baseerde zijn aanvraag op gezondheidsklachten die hij toeschreef aan oorlogservaringen, waaronder het getuige zijn van het doodschieten van Japanners in Soerabaja.
Verweerster, de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wet. De Raad voerde een uitgebreid onderzoek uit, inclusief raadpleging van relatiedossiers, historische gegevens en getuigen, maar vond geen bevestiging van de door appellant genoemde gebeurtenissen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat een eigen verklaring van appellant zonder aanvullende gegevens onvoldoende is voor erkenning. Ook getuigenverklaringen konden de beweringen niet ondersteunen. Hoewel appellant angstige omstandigheden heeft ervaren, voldoet hij niet aan de wettelijke criteria voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer.
Daarom verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorlogsgeweld en het bestreden besluit wordt bevestigd.