ECLI:NL:CRVB:2007:BB6094
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1933, vroeg in maart 2006 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van een toeslag en uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Zij baseerde haar aanvraag op gezondheidsklachten die zij toeschreef aan haar ervaringen tijdens twee bombardementen in Goor in 1945.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellante directe persoonlijke betrokkenheid had bij oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet. Hoewel uit archiefgegevens en verklaringen bleek dat bombardementen hadden plaatsgevonden en appellante in die periode in Goor verbleef, ontbrak bewijs van haar directe betrokkenheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De eigen verklaring van appellante werd niet als voldoende bewijs gezien zonder aanvullende gegevens. Getuigen konden de directe betrokkenheid niet bevestigen en overgelegde documenten boden geen aanknopingspunten. De Raad erkende wel de angst en bedreiging die appellante heeft ervaren, maar stelde dat dit niet valt onder de calamiteiten zoals gedefinieerd in de Wet.
Daarom oordeelde de Raad dat het bestreden besluit in stand kan blijven en wees het beroep af. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.