ECLI:NL:CRVB:2007:BB5581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor gangbare arbeid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar vanaf 14 maart 2005 geen ziekengeld meer toe te kennen op grond van de Ziektewet, omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor haar arbeid. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad verwijst naar de vaste jurisprudentie dat na het ontvangen van ziekengeld gedurende de maximumtermijn, de arbeid waarover wordt geoordeeld gangbare arbeid betreft, nader geconcretiseerd door geselecteerde functies die ook bij de WAO-beoordeling worden gehanteerd. In dit geval is de functie van samensteller metaalwaren als passend beoordeeld.
Medisch onderzoek door de ZW-arts en bezwaarverzekeringsarts, inclusief telefonisch overleg met de behandelend fysiotherapeut, toonde aan dat appellante geschikt is voor deze functie. De bezwaararbeidsdeskundige bevestigde dat deze functie passend is gezien de beperkingen. Appellante heeft haar stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met haar fysieke en mentale beperkingen niet met specifieke medische gegevens onderbouwd.
De Raad acht het niet aannemelijk dat de geringe lichaamslengte van appellante niet is meegenomen in de beoordeling. Gezien deze feiten en het medisch onderzoek bevestigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van ziekengeld wordt bevestigd.