ECLI:NL:CRVB:2007:BB5555

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1434 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis

Appellant was tot 1 september 2005 werkzaam bij Impress B.V. en diende op 7 september 2005 een aanvraag in voor een WW-uitkering voor de periode 1 tot 12 september 2005. Deze uitkering werd geweigerd omdat appellant niet beschikbaar was voor arbeid. Na bezwaar en beroep werd dit besluit bevestigd. Vervolgens diende appellant op 28 februari 2006 opnieuw een aanvraag in, die op 6 maart 2006 werd afgewezen wegens het niet voldoen aan de wekeneis van artikel 17 WW Pro, welke vereist dat de werknemer in de 39 weken voorafgaand aan werkloosheid ten minste 26 weken arbeid heeft verricht.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 9 juni 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd dit oordeel bevestigd. De Raad overwoog dat de gronden van appellant tegen eerdere besluiten niet relevant waren voor het huidige besluit, omdat het hier een andere bevoegdheid van het UWV betrof.

De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en bevestigde de aangevallen uitspraak. De uitspraak werd gedaan door rechter T. Hoogenboom op 19 september 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WW-uitkering omdat appellant niet voldoet aan de wekeneis.

Uitspraak

07/1434 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[A. te B. ] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 februari 2007, 06/1719 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 september 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in de zaak nummer 06/3199 WW, plaatsgevonden op 8 augustus 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Hollander, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De zaken zijn vervolgens gesplitst.
II. OVERWEGINGEN
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleende feiten en omstandigheden.
2.1. Appellant was tot 1 september 2005 in dienstbetrekking werkzaam bij Impress B.V. Hij heeft op 7 september 2005 een aanvraag om een WW uitkering ingediend bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI), voor de periode van 1 september 2005 tot 12 september 2005. Bij besluit van 13 september 2005 is hem die uitkering ontzegd omdat appellant niet beschikbaar is voor arbeid op de arbeidsmarkt. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 12 januari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op 2 mei 2006 het beroep van appellant tegen het besluit van 12 januari 2006 ongegrond verklaard.
2.2. Op 28 februari 2006 heeft appellant wederom een aanvraag voor een WW-uitkering bij het CWI ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 6 maart 2006 afgewezen omdat appellant niet voldoet aan de zogenoemde wekeneis. Deze betreft de regel die is neergelegd in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW, ingevolge welk artikel recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in de 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 9 juni 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard. Daarom moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. De Raad overweegt daartoe het volgende.
4.2. Bij uitspraak van heden, in het geding onder nummer 06/3199 WW, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 2 mei 2006 bevestigd.
4.3. In het onderhavige geding heeft appellant gelijke gronden ingediend als welke hij heeft aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 mei 2006. Die gronden hadden betrekking op het door de rechtbank in stand gelaten besluit van 12 januari 2006. Die gronden kunnen niet leiden tot aantasting van de aangevallen uitspraak in het onderhavige geding, omdat dit geding de beslissing van de rechtbank van 28 februari 2007 betreft over het bestreden besluit. Dit besluit heeft betrekking op een geheel andere bevoegdheid van het Uwv dan die welke het besluit van 12 januari 2006 tot onderwerp had.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.R.S. Bacon.
BvW/109