ECLI:NL:CRVB:2007:BB5375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en vergoeding wettelijke rente bij overschrijding redelijke termijn
Appellante, werkzaam als wijkverpleegkundige, viel in januari 1997 uit wegens rugklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Na een medisch onderzoek in 2000 werd haar uitkering herzien naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse, wat het UWV bij besluit in 2001 vaststelde. Appellante maakte bezwaar, dat in 2003 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dat besluit ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. Wel stelde de Raad vast dat de bestuursprocedure bijna zes en een half jaar had geduurd, wat een overschrijding van de redelijke termijn volgens het EVRM betekende. Dit leidde tot een veroordeling van het UWV tot vergoeding van immateriële schade van € 500 en proceskosten van € 1.288.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens werd het UWV opgedragen de wettelijke rente over de nabetaling van de WAO-uitkering vanaf 1 april 2001 te vergoeden. Het UWV werd ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 140 aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, met vergoeding van schade, proceskosten en wettelijke rente aan appellante.