ECLI:NL:CRVB:2007:BB4926

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7022 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij AOW-korting

Appellant kreeg een ouderdomspensioen en toeslag toegekend met een korting vanwege niet-verzekerde perioden. Hij diende bezwaar in tegen de korting op de toeslag, maar dit gebeurde ruim na de wettelijke termijn van zes weken. De Sociale verzekeringsbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de Sociale verzekeringsbank geen juiste vergelijking had gemaakt van niet-verzekerde perioden en dat hij op antwoord van het ABP had gewacht. De Raad overwoog dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was omdat appellant onvoldoende maatregelen had getroffen tijdens zijn vakantie om tijdig bezwaar te maken.

De Raad volgde de vaste jurisprudentie dat afwezigheid geen reden is voor verschoonbaarheid zonder adequate maatregelen. Het wachten op het ABP-antwoord leidde ook niet tot een ander oordeel. De inhoudelijke grieven werden niet inhoudelijk beoordeeld omdat het bezwaar niet ontvankelijk was. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees toepassing van artikel 8:75 Awb Pro af.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de korting op het AOW-pensioen is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

06/7022 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Bonaire) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2006, 05/4449 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 4 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2007. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A. Slovacek.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 11 oktober 2004 is aan appellant met ingang van september 2004 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een gehuwde toegekend. Tevens is hij in aanmerking gebracht voor een toeslag op het ouderdomspensioen. Op zowel het ouderdomspensioen als de toeslag is een korting toegepast van respectievelijk 32 en 48 % in verband met niet verzekerde perioden.
Tegen dit besluit heeft appellant per e-mail van 19 augustus 2005, bezwaar aangetekend ten aanzien van de korting op de toeslag.
Desgevraagd heeft appellant als reden voor de termijnoverschrijding aangegeven dat hij tijdens de ontvangst van het besluit op vakantie was tot 28 november 2004. Daarnaast heeft appellant gewacht op antwoord over informatie die hij bij het ABP had ingewonnen.
Bij het besluit op bezwaar van 5 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat de termijn voor het indienen van bezwaar is overschreden en niet is gebleken dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar moet worden geacht.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de Svb de overzichten van niet verzekerde perioden van zijn echtgenote en hemzelf niet met elkaar heeft vergeleken en geen rekening heeft gehouden met de datum waarop hij in het huwelijk is getreden. Ook in de uitspraak van de rechtbank kan appellant hierover niets terugvinden.
De Raad overweegt als volgt.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Nu appellant eerst per e-mail bericht van 19 augustus 2005 bezwaar heeft aangetekend tegen het besluit van 11 oktober 2004, moet met de rechtbank worden geoordeeld dat het bezwaar niet tijdig is ingesteld. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er aanleiding bestaat om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op grond van termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. In hetgeen appellant daartoe heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om in het onderhavige geval de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, onder meer neergelegd in zijn uitspraak van 13 augustus 2002, LJN AE7076, dient een betrokkene die in beginsel voor een langere tijd afwezig is, toereikende maatregelen te treffen ter behartiging van de eigen belangen. Als wordt nagelaten om adequate maatregelen te treffen om tegen een of meer eventueel in de vakantie te ontvangen besluiten tijdig bezwaar - op al dan niet nader aan te geven gronden- aan te tekenen, moet dit in het algemeen gesproken voor rekening van appellant blijven. De omstandigheid dat appellant op antwoord van het ABP heeft gewacht leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de Raad niet toekomen aan een beoordeling van de inhoudelijke grieven die appellant tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2007.
(get.) H.J. Simon.
(get.) A.C. Palmboom.
GG190907