ECLI:NL:CRVB:2007:BB3311

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-212 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kostenveroordeling bij intrekken beroep door bestuursorgaan en de toepassing van artikel 8:75a Awb

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 28 augustus 2007 uitspraak gedaan in hoger beroep (zaaknummer 07-212 WAO) over de kostenveroordeling bij intrekking van het beroep door het bestuursorgaan. Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 december 2006. Na een nieuwe beslissing op bezwaar van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 20 februari 2007, heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling. De Raad heeft vastgesteld dat het Uwv aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, wat aanleiding gaf om het Uwv te veroordelen in de kosten van de rechtsbijstand van appellante.

De Raad overweegt dat volgens artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten kan worden veroordeeld, indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. De Raad stelt vast dat het Uwv in hoger beroep een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen, maar dat dit niet betekent dat het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen kan worden. De Raad benadrukt dat het onverplicht tegemoetkomen door het bestuursorgaan in beginsel geen bijzondere omstandigheid oplevert die een afwijzing van het verzoek rechtvaardigt.

De uiteindelijke beslissing van de Raad was om het Uwv te veroordelen in de kosten van de rechtsbijstand, begroot op € 966,-, te betalen door het Uwv. De Raad heeft ook opgemerkt dat appellante zich met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht tot het Uwv kan wenden. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas, in tegenwoordigheid van griffier C. Tersteeg, en is openbaar uitgesproken op dezelfde datum.

Uitspraak

Uitspraak
07/212 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 december 2006, 04/1882
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Paulissen, advocaat te Neerbeek, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 26 februari 2007 heeft mr. Paulissen, voornoemd, namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellante het hoger beroep heeft ingetrokken aangezien het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 20 februari 2007 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Nu aldus aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante.
Het Uwv heeft in het verweerschrift aangegeven dat eerst in hoger beroep van de kant van appellante is aangevoerd dat het eigenrisicodragerschap voor haar tot onevenredig hoge kosten leidde. Naar aanleiding van deze grief heeft het Uwv tijdens de hoger beroepsprocedure een herziene beslissing op bezwaar uitgereikt. Daarin is overwogen dat appellante voldeed aan de door het Uwv gehanteerde criteria, zodat op grond van coulanceoverwegingen aan appellante haar verzoek om terug te keren tot het publieke bestel, is gehonoreerd en op grond van die reden het primaire besluit niet is gehandhaafd.
Gelet op het voorgaande stelt het Uwv zich op het standpunt dat het intrekken van het besluit op grond van coulanceoverweging niet betekent dat sprake is van een onrechtmatig besluit. Derhalve is het Uwv van mening dat het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen in de kosten van de beroepsprocedures dient te worden afgewezen.
De Raad onderschrijft dit standpunt niet en is van oordeel dat een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb als regel dient te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Een uitzondering kan slechts worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Het onverplicht en bij wege van coulance tegemoetkomen levert in beginsel geen bijzondere omstandigheid op. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 16 mei 2006, gepubliceerd in LJN AX6776.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten van verleende rechtsbijstand, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) in beroep worden begroot op € 644,- en in hoger beroep op € 322,-.
Wat betreft de vordering van de bij het formulier proceskosten gevoegde declaraties stelt de Raad vast, dat deze declaraties betrekking hebben op de normale kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten vallen onder het Bpb en worden dan ook, zoals in voornoemde alinea is aangegeven, volgens dit Besluit vergoed.
Voorts merkt de Raad nog op dat uit het bepaalde in artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellante zich met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht tot het Uwv kan wenden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C. Tersteeg.
DK