ECLI:NL:CRVB:2007:BB3311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Kostenveroordeling bij intrekken hoger beroep na tegemoetkoming bestuursorgaan
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht, maar trok dit beroep in nadat het UWV met een nieuwe beslissing op bezwaar aan haar bezwaren tegemoet was gekomen. Appellante verzocht vervolgens om een proceskostenveroordeling van het UWV.
Het UWV stelde dat de tegemoetkoming op coulanceoverwegingen berustte en dat dit niet betekende dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was, zodat een kostenveroordeling niet op zijn plaats was. De Raad oordeelde echter dat een verzoek om proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75a Awb in beginsel moet worden toegewezen wanneer het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen.
De Raad verwierp het standpunt van het UWV dat coulanceoverwegingen een bijzondere omstandigheid vormen om af te wijken van deze regel. De Raad veroordeelde het UWV daarom tot betaling van de proceskosten van appellante, begroot op €966,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tevens wees de Raad erop dat appellante het betaalde griffierecht bij het UWV kan declareren.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante ten bedrage van €966,-.