ECLI:NL:CRVB:2007:BB2885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toekenning AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs van verzekering
Appellant heeft in december 2003 een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij stelde dat hij van 1969 tot 1973 in Nederland woonde en werkte bij een werkgever in Utrecht, maar kon dit niet met voldoende bewijs onderbouwen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft navraag gedaan bij de werkgever en de gemeente Utrecht, maar beide konden de stellingen van appellant niet bevestigen.
De Svb heeft daarop de AOW-uitkering geweigerd omdat niet is gebleken dat appellant verzekerd was ingevolge de AOW. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank onderschreef dit standpunt en ook het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd verworpen.
De Raad oordeelde dat de overgelegde werkgeversverklaring geen betekenis had omdat deze geen concrete gegevens bevatte. Ook het ontbreken van inschrijving bij de gemeente en het ontbreken van loonbelastinggegevens leidde tot het oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verzekerd was. Getuigenverklaringen werden niet opgeroepen omdat daarvoor onvoldoende aanwijzingen waren.
De Raad merkte op dat de vraagstelling van de Svb aan appellant wel erg algemeen was, maar dit deed niet af aan het oordeel omdat appellant zelf had aangegeven dat bewijsstukken verloren waren gegaan. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs van verzekering.