ECLI:NL:CRVB:2007:BB2723

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5331 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens juiste inschatting arbeidsvermogen

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 3 november 2003 te herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep verwijst naar de uitgebreide feiten en omstandigheden zoals weergegeven door de rechtbank.

De Raad overweegt dat het UWV, op basis van beschikbare medische gegevens en arbeidskundige rapporten, de gezondheidstoestand en beperkingen van appellant niet onjuist heeft ingeschat. Appellant voerde aan dat zijn klachtenpatroon was verergerd en dat hij slechts 2 à 3 uur per dag zou kunnen werken, maar heeft geen nieuwe informatie overgelegd die aanleiding geeft tot twijfel over de bevindingen van de verzekeringsartsen.

Het hoger beroep wordt verworpen omdat geen gronden aanwezig zijn voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank Zutphen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant correct heeft ingeschat en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

05/5331 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 juli 2005, 04/1659
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op vrijdag 13 juli 2007. Appellant en het Uwv zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.
Bij het thans bestreden besluit van 3 maart 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van
3 november 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het Uwv, gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens, de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor zijn arbeidsvermogen niet onjuist heeft ingeschat. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat haar niet is gebleken dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd.
Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, gelet op de arbeidskundige rapporten van 14 oktober 2004 en 1 maart 2005, het Uwv genoegzaam gemotiveerd heeft dat de belasting die optreedt in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de vastgestelde belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
De rechtbank heeft vervolgens het beroep voor zover gericht tegen het besluit van
3 maart 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het hem onmogelijk is voor 75% aan het arbeidsproces deel te nemen. Zijn klachtenpatroon is eerder nog verergerd en bestaat niet alleen uit de rug- en knieklachten, maar ook uit nek-, heup- en enkelklachten met daarnaast sporadische uitval van één of beide benen. Hij heeft zich recent laten doorverwijzen door zijn huisarts naar meerdere specialisten. Appellant stelt zich op het standpunt dat werkzaamheden in een aangepaste baan voor circa 2 à 3 uur per dag het maximaal haalbare is.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld.
Voorts heeft appellant ook in hoger beroep geen informatie overgelegd die de Raad aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen inzake zijn belastbaarheid op de datum in geding 3 november 2003 en aan het standpunt van het Uwv dat appellant met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en R.P.T. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) S. Sweep.
TM