ECLI:NL:CRVB:2007:BB2685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken van verlies aan verdiencapaciteit
Appellante verzocht om toekenning van een WAO-uitkering per einde wachttijd, maar het UWV verklaarde haar bezwaar ongegrond omdat zij volgens medisch en arbeidsdeskundig onderzoek in staat was haar eigen werk te verrichten en er geen passend verlies aan verdiencapaciteit was.
De rechtbank Maastricht oordeelde eerder dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de medische beperkingen zodanig waren dat zij niet kon werken en wees een extern medisch onderzoek af. Appellante stelde in hoger beroep dat zij zowel fysiek als psychisch ernstiger beperkt was dan vastgesteld, en dat het UWV onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd had gehandeld.
De Centrale Raad overwoog dat het UWV zijn standpunt mocht wijzigen en dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond verklaarde. De Raad vond de medische rapporten en arbeidsdeskundige bevindingen overtuigend en zag geen aanleiding tot extern onderzoek. De klachten van appellante werden onvoldoende onderbouwd, en het bestaan van nieuwe hartklachten was niet aangetoond.
Daarmee bevestigde de Raad het besluit dat appellante per einde wachttijd geschikt was voor haar eigen werk en geen recht had op een WAO-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellante per einde wachttijd geschikt was voor haar eigen werk.