ECLI:NL:CRVB:2007:BB2579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en vermogen
Appellante ontving bijstand van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Het College trok de bijstand in over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2003 vanwege het verzwegen samenwonen met een partner en het bezit van onroerend goed dat het vrij te laten vermogen volgens de Algemene bijstandswet (Abw) overschreed.
De rechtbank vernietigde het besluit van het College wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellante voerde aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde en dat het onroerend goed niet tot haar vermogen behoorde. De Raad stelde vast dat appellante mede-eigenaar was van de woning en dat zij en haar partner vanaf 1 januari 1999 een gezamenlijke huishouding voerden, gebaseerd op objectieve criteria zoals hoofdverblijf, financiële verstrengeling en wederzijdse zorg.
De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door het verzwegen van de gezamenlijke huishouding en het vermogen. Hierdoor was het College bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. Appellante slaagde er niet in dringende redenen aan te tonen om van intrekking of terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en vermogen worden bevestigd.