ECLI:NL:CRVB:2007:BB2390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens motiveringsgebrek
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 12 mei 2004 in te trekken. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. In hoger beroep stelde appellante dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende rekening hield met haar beperkingen en dat het systeem van het UWV onvoldoende inzicht gaf in de geschiktheid van de geduide functies.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) alleen betrouwbaar is als beperkingen correct worden verwerkt in de FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML aangepast om verborgen beperkingen zichtbaar te maken, en de bezwaararbeidsdeskundige heeft een nieuw arbeidskundig onderzoek uitgevoerd met een nadere motivering van de belastbaarheid van functies.
De Raad oordeelt dat het aangepaste systeem en de nadere motivering voldoen aan de eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid. Desondanks is het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanwege een motiveringsgebrek. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens een motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.