ECLI:NL:CRVB:2007:BB1712

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3289 WWB + 06-3290 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
  • R.H.M. Roelofs
  • F.A.M. Stronk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWBArt. 18 WWBArt. 8 Afstemmingsverordening WWB gemeente Venray
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens weigering deelname reïntegratietraject

Appellanten ontvingen bijstand volgens de norm voor gehuwden en kregen bij besluit van 7 december 2004 een verlaging van 50% van hun bijstand opgelegd voor de duur van één maand, vanwege weigering deel te nemen aan een reïntegratietraject. Het College verklaarde de bezwaren tegen dit besluit ongegrond en de rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze beslissing eveneens ongegrond.

In hoger beroep voerden appellanten aan dat hun medische beperkingen ernstiger waren dan door deskundigen was vastgesteld en verwezen zij naar hun zorgtaken en een geplande operatie. De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende objectieve medische gegevens hadden overgelegd om deze stelling te onderbouwen. De Raad stelde vast dat het reïntegratietraject rekening hield met de medische situatie van appellant en dat het redelijk was te verwachten dat appellant medewerking zou verlenen aan de eerste fase van het traject.

De Raad kwalificeerde het niet nakomen van de verplichting tot deelname aan het reïntegratietraject als een grond voor verlaging van de bijstand volgens de geldende verordening. De opgelegde verlaging van 50% voor één maand was in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 50% voor één maand wegens weigering deelname aan het reïntegratietraject wordt bevestigd.

Uitspraak

06/3289 WWB
06/3290 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], appellant, en [Appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 mei 2006, 05/1391 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray (hierna: College)
Datum uitspraak: 14 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Verkoeijen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J.M.S. Willems, werkzaam bij de gemeente Venray.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellanten ontvangen reeds geruime tijd bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
Bij besluit van 7 december 2004 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 1 december 2007 met 50% verlaagd voor de duur van een maand. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant heeft geweigerd deel te nemen aan een reïntegratietraject.
Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het College de tegen het besluit van 7 december 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 augustus 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt onder meer dat het college, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet nakomt de bijstand overeenkomstig de verordening verlaagt, tenzij elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Ingevolge artikel 8, aanhef en onder 2 sub b, van de Afstemminsgverordening WWB van de gemeente Venray behoort het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van een door het College aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige participatie, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject tot de tweede categorie. Bij gedragingen van de tweede categorie wordt de verlaging als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening vastgesteld op 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat van appellant, mede gelet op zijn status van langdurig werkloze, in redelijkheid mocht en kon worden gevergd dat hij zijn medewerking verleende aan in ieder geval de eerste fase van het voor hem opgestelde reïntegratietraject. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat juist deze fase er op is gericht meer specifiek onderzoek te doen naar de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces. De Raad stelt voorts vast dat bij het opstellen van het reïntegratieplan nadrukkelijk rekening is gehouden met de bij appellant bestaande medische beperkingen. Dat deze beperkingen ernstiger zouden zijn dan uit de belastbaarheidsrapportages van de aan Joblink verbonden deskundigen naar voren komt, hebben appellanten niet met objectieve medische gegevens onderbouwd. De Raad wijst in dat verband overigens nog op de brieven van de orthopedisch-chirurg Morrenhof en de chirurg Hustinx die respectievelijk “belasting binnen de belastbaarheid” en een “op maat toegesneden reïntegratieproject “ voor appellant aangewezen achten. Hetgeen appellant daar tegenover heeft gesteld inzake de (mede)zorg voor de gehandicapte dochter van appellanten en een op handen zijnde operatie kunnen daaraan op zichzelf niet afdoen.
De Raad stelt voorts vast dat de in geding zijnde gedraging van appellant moet worden gekwalificeerd als het niet nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, zodat het College gehouden was de bijstand tijdelijk te verlagen. De toegepaste verlaging is in overeenstemming met hetgeen daaromtrent in de Afstemmingsverordening is bepaald. De Raad ziet in hetgeen naar voren is gebracht geen grond voor het oordeel dat geheel of gedeeltelijk van de verlaging zou dienen te worden afgezien.
Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en F.A.M. Stronk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2007.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S. van Ommen.
PR