ECLI:NL:CRVB:2007:BB0232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na herstelverklaring door UWV
Appellant, werkzaam als taxichauffeur, viel op 28 april 2004 uit wegens klachten aan de linkerenkel en onderging op 21 juni 2004 een operatie. Het UWV beëindigde op 9 februari 2005 het ziekengeld, omdat de verzekeringsarts op 3 februari 2005 constateerde dat appellant hersteld was en geen functiebeperking had. Na bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond, waarbij een bezwaarverzekeringsarts de medische situatie opnieuw beoordeelde.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV na een zorgvuldig medisch onderzoek terecht had geconcludeerd dat appellant per 4 februari 2005 hersteld was. De medische stukken, waaronder die van de orthopedisch chirurg, gaven geen aanleiding om anders te oordelen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en wees erop dat nieuwe medische stukken die appellant na de termijn van artikel 8:58 Awb Pro had ingediend, niet in de beoordeling konden worden betrokken. Het bestreden besluit wordt daarmee bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.