AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen wijziging werktijden ambtenaar ondanks opvangproblemen
Verzoekster, werkzaam als allround medewerkster bij de Dienst Persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam, kreeg haar werkdagen gewijzigd van maandag, dinsdag en woensdag naar woensdag, donderdag en vrijdag. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar.
Verzoekster stelde dat de wijziging problemen veroorzaakte met de opvang van haar kinderen, waardoor zij wekelijks verlof moest opnemen. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om de wijziging te schorsen.
De voorzieningenrechter erkende het spoedeisend belang maar oordeelde dat het college voldoende dienstbelang had aangetoond, waaronder efficiëntere inzet van personeel en spreiding van capaciteit. Daarnaast waren er mogelijkheden voor opvang en compensatie van kosten.
Verzoekster had onvoldoende pogingen gedaan om een oplossing te vinden, zoals ruilen van werktijden met collega’s. Gezien de verstreken tijd sinds de wijziging en het dienstbelang werd het verzoek afgewezen.
De uitspraak bevestigt dat individuele opvangproblemen niet zonder meer leiden tot schorsing van een dienstroosterwijziging als het dienstbelang zwaarwegend is.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de wijziging van de werktijden wordt afgewezen vanwege het dienstbelang en voldoende opvangmogelijkheden.
Uitspraak
07/3098 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 vanPro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
in verband met het hoger beroep van:
verzoekster
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2007, 07/329 en 07/330 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoekster
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 11 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2007. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.M. Schram-Nijman, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Wit, M.A.E. Kassens en L.H.C. Smeets, allen werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Verzoekster is werkzaam als allround medewerkster bij de unit Registers & Archieven van de Dienst Persoonsgegevens (hierna: DPG) van de gemeente Amsterdam. Sedert 1998 werkte verzoekster op de maandag, dinsdag en woensdag, aanvankelijk 24 uur en laatstelijk 16 uur per week, te weten op maandag 7 uur, op dinsdag 5 uur en op woensdag 4 uur.
1.2. Bij besluit van 7 april 2005 heeft het college op grond van artikel 201 vanPro het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) en de Werktijdenregeling Dienst Persoonsgegevens de werkdagen van verzoekster per 1 september 2005 gewijzigd naar de woensdag, donderdag en vrijdag. Dit besluit is, na bezwaar, laatstelijk gehandhaafd bij het bestreden besluit van 20 december 2006.
1.3. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans nog van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) met toepassing van artikel 8:86 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep van verzoekster ongegrond verklaard.
2. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat de werking van het bestreden besluit wordt geschorst. Verzoekster heeft aangevoerd daarbij een spoedeisend belang te hebben, omdat zij als gevolg van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak haar werktijden heeft moeten wijzigen, waardoor zij in de problemen komt met de opvang van haar kinderen. Noodgedwongen neemt verzoekster nu wekelijks verlofuren op, hetgeen echter niet meer is dan een tijdelijke noodoplossing.
3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 8:81 vanPro de Awb en artikel 21 vanPro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de (voorzieningenrechter van de) rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.
3.2. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen van de zijde van verzoekster is aangevoerd voldoende spoedeisend belang. Bezien moet worden of dit belang het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
3.3. Het college heeft ter zitting nogmaals het belang van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende redenen voor wijziging van het werkrooster uiteengezet, te weten enerzijds een efficiëntere inzet van zowel personeel als materiaal, waartoe DPG was gehouden gezien de door de gemeenteraad vastgestelde ombuigingen, en anderzijds een evenwichtige spreiding van capaciteit over de dagen van de week, mede met het oog op de uitvoering van of deelname aan bijzondere projecten.
3.4. Gelet op hetgeen naar voren is gekomen omtrent de bezetting van de unit op de verschillende dagen van de week, is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het college hiermee het dienstbelang bij aanpassing van de werktijdregeling van verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Hieraan doet niet af dat verzoekster tot voor kort volgens haar oude rooster heeft doorgewerkt en dat haar ook thans nog is toegestaan op vrijdag minder dan het door het college gewenste aantal uren te werken.
3.5. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd over de mogelijkheid om werktijden te ruilen met haar collega ziet de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende grond om het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat wijziging van het werkrooster van die collega onaanvaardbaar is, voor onhoudbaar te achten. Dat de collega inmiddels aan verzoekster en het college kenbaar zou hebben gemaakt op een andere dag te willen werken, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat die bereidheid slechts de woensdag betreft en verzoekster op deze dag al werkzaam is.
3.6. Het verzoek om voorlopige voorziening berust dan, blijkens het verhandelde ter zitting, vooral op de stelling dat verzoekster op vrijdag geen opvang heeft voor haar (jongste) kind. De voorzieningenrechter onderkent dat het veelal niet gemakkelijk zal zijn om eenmaal getroffen voorzieningen voor kinderopvang op korte termijn aan een nieuw werkrooster aan te passen. In dit geval zijn evenwel sedert de aangekondigde roosterwijziging meer dan twee jaren verstreken. Het college heeft meermalen aangegeven dat een bijdrage in de kosten van kinderopvang tot de mogelijkheden behoort. Voorts heeft het college zich bereid getoond om bij het vaststellen van begin- en eindtijden met de belangen van verzoekster rekening te houden. Daartegenover is weinig of niets gebleken van pogingen van verzoekster om een oplossing te vinden. Gelet op de haar bekende knelpunten waarvoor de dienstleiding zich gesteld zag, had in dit opzicht van verzoekster een actieve opstelling mogen worden verwacht. Onder deze omstandigheden kan aan het belang van verzoekster om, in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, op de oude voet te mogen doorwerken geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.
3.7. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.
4. Voor toepassing van artikel 8:75van de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.