ECLI:NL:CRVB:2007:BA9505

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6064 BPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Wet buitengewoon pensioen 1940-1945Artikel 8:75 Algemene wet bestuursrechtKoninklijk besluit 9 augustus 1948Besluit 8 april 2003Wet inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verrekening inkomsten bij vaststelling buitengewoon pensioen 1940-1945

Appellant, erkend als deelnemer aan het verzet en ontvanger van een buitengewoon pensioen op basis van 100% blijvende invaliditeit, betwistte de vaststelling van zijn pensioen voor de jaren 2001 tot en met 2003. Hij maakte bezwaar tegen de hoogte van de inkomsten uit vermogen die in mindering werden gebracht op zijn pensioen, stellende dat kosten van verwerving en vermogensrendementsheffing in mindering hadden moeten worden gebracht.

De Raad overwoog dat het besluit van 8 april 2003, dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 geldt, de regels bevat voor de vaststelling van de verrekenbare inkomsten. Dit besluit houdt rekening met de Wet inkomstenbelasting 2001 en vervangt de eerdere regeling. Volgens dit besluit zijn de inkomsten die in mindering worden gebracht de inkomsten belast in box 1 en feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen, zonder aftrek van kosten of heffingen.

De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is omdat het Besluit geen ruimte biedt voor aftrek van de door appellant genoemde kosten. De wijziging van het fiscale regime maakt dat de eerdere praktijk onder de Wet IB 1964 niet langer van toepassing is. Er is geen aanleiding om proceskosten toe te kennen. Het bestreden besluit is daarmee in overeenstemming met het geldende Besluit.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit over de verrekening van inkomsten bij het buitengewoon pensioen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/6064 BPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 juli 2005
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep doen instellen tegen verweersters besluit van 21 september 2006, kenmerk 41631, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 24 mei 2007. Aldaar is appellant, naar tevoren is bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerk BV.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is erkend als deelnemer aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet en aan hem is als zodanig met ingang van 1 november 1972 een buitengewoon pensioen toegekend, berekend naar een invaliditeit van 100% blijvend. Bij berekenings-beschikking van 30 november 2005 is het appellant toekomende pensioen over de jaren 2001, 2002 en 2003 vastgesteld en ingaande 1 januari 2004 in de voorlopige sfeer aangepast. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar doen instellen voor zover het de op het pensioen in mindering te brengen vermogensinkomsten betreft over de jaren 2001 tot en met 2003. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster dit bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant kan zich in beroep als in bezwaar niet verenigen met de hoogte van de voor hem vastgestelde verrekenbare inkomsten uit vermogen. Naar zijn oordeel had verweerster bij de vaststelling van deze voor aftrek in aanmerking komende inkomsten rekening dienen te houden met kosten van verwerving en de op de inkomsten uit vermogen rustende vermogensrendementsheffing.
De Raad overweegt als volgt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster toepassing gegeven aan het Koninklijk besluit van 9 augustus 1948, Stb. 1948, I 362, zoals gewijzigd bij besluit van 8 april 2003, Stb. 2003, 164, Regels ter uitvoering van artikel 12, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, tot vaststelling van voor verrekening in aanmerking komende inkomsten, hierna: het Besluit. Met het besluit van 8 april 2003 is het Besluit met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 gewijzigd in verband met de inwerkingtreding per 1 januari 2001 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en de gelijktijdige intrekking van de Wet inkomstenbelasting 1964. Ingaande 1 januari 2001 worden door verweerster de met het buitengewoon pensioen te verrekenen inkomsten vastgesteld met inachtneming van het Besluit zoals dat luidt vanaf 1 januari 2001.
De Raad stelt vast dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het Besluit, zoals dat ingaande 1 januari 2001 is komen te luiden. Ingevolge artikel 1 van Pro het Besluit heeft het kortingsinkomen betrekking op posten die ingevolge de Wet IB 2001 in box 1 (inkomsten uit werk en woning) worden belast, alsmede op de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen.
Voor het in mindering brengen van de door appellant genoemde kosten op de inkomsten uit vermogen geeft het Besluit, naar het oordeel van de Raad, geen aanknopingspunten. De omstandigheid dat, naar namens appellant gesteld, deze kosten voorheen onder de Wet IB 1964 wel in mindering werden gebracht op de inkomsten uit vermogen - wat daar ook van zij - kan er niet toe leiden dat verweerster thans, na ingrijpende wijziging van het fiscale regime en met toepassing van het Besluit zoals dat ingaande 1 januari 2001 is komen te luiden, voort gaat deze kosten bij de bepaling van de hoogte van de vermogens-inkomsten te betrekken.
Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.