ECLI:NL:CRVB:2007:BA9144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering heropening WAO-uitkering na detentie wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid
Appellant, geboren in 1961, was sinds 2001 arbeidsongeschikt wegens rugklachten en ontving vanaf februari 2002 een WAO-uitkering. Deze uitkering werd ingetrokken per maart 2003 vanwege detentie vanaf februari 2002. Na zijn vrijlating in december 2003 verzocht appellant om heropening van de WAO-uitkering. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant niet langer arbeidsongeschikt was volgens de WAO-normen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad bevestigde dat volgens artikel 47b WAO de uitkering na detentie alleen heropent indien op de dag van vrijlating sprake is van arbeidsongeschiktheid. Uit de medische rapporten bleek dat appellant beperkingen heeft, maar dat deze niet zodanig zijn dat hij niet geschikt zou zijn voor de geselecteerde functies. De Raad vond de onderzoeken zorgvuldig en zag geen aanleiding om het oordeel van het UWV te verwerpen.
De Raad overwoog verder dat de door appellant ingebrachte aanvullende medische informatie in hoger beroep het oordeel niet wijzigde. Ook de arbeidskundige beoordeling dat appellant geschikt is voor functies zonder strikte diploma-eisen werd onderschreven. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen reden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
De beslissing werd genomen door voorzitter Van der Vos en leden Riphagen en de Kwaasteniet en op 29 juni 2007 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot heropening van de WAO-uitkering omdat appellant op de dag van vrijlating niet arbeidsongeschikt was.