ECLI:NL:CRVB:2007:BA8600

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3753 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na toekenning WAO-uitkering door UWV

Appellante had een WAO-uitkering geweigerd gekregen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellante hoger beroep in tegen het besluit van het UWV.

Tijdens de procedure gaf het UWV aan het oorspronkelijke besluit niet langer te handhaven en kende het een WAO-uitkering toe met ingang van 18 oktober 2002 in de klasse 80 tot 100%. Appellante liet weten hiermee geheel akkoord te gaan.

De Raad oordeelde dat het procesbelang van appellante bij beoordeling van het bestreden besluit was komen te vervallen, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het UWV de WAO-uitkering aan appellante had toegekend.

Uitspraak

04/3753 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 mei 2004, 03/5009 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van 3 december 2002 is appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 18 oktober 2002 geweigerd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
Namens appellante heeft mr. M.J. Zennipman, advocaat te
’s-Gravenhage, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 16 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. Zennipman, voornoemd, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft prof.dr. E. Hoencamp, psychiater, als deskundige van verslag en advies gediend bij rapport van januari 2007.
Bij brief (met bijlagen) van 26 april 2007 heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd en dat volledig tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van appellante, gericht tegen het besluit van 16 oktober 2003. Het Uwv heeft bij een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 26 april 2007, aan appellante meegedeeld een WAO-uitkering toe te kennen met ingang van 18 oktober 2002 naar de klasse 80 tot 100%.
Namens appellante heeft mr. Zennipman de Raad bij brief van 1 juni 2007 meegedeeld dat met het besluit van 26 april 2007 geheel tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van appellante.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Met de brief van 26 april 2007 heeft het Uwv te kennen gegeven zijn oorspronkelijk ingenomen standpunt niet langer te handhaven. Naar het oordeel van de Raad wordt hiermee, gelet op de inhoud van de brief van 1 juni 2007 van appellantes gemachtigde, geheel aan de grieven van appellante tegemoet gekomen.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Nu een dergelijk verzoek niet is gedaan, is naar het oordeel van de Raad appellantes procesbelang bij beoordeling van het bestreden besluit komen te vervallen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, welke kosten worden ter zake van aan appellante verleende rechtsbijstand begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Rechtdoende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van
€ 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,-- vergoed.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
MK