ECLI:NL:CRVB:2007:BA8450
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H. Bolt
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische urenbeperking
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, meldde zich ziek in 2002 met klachten gerelateerd aan de ziekte van Pfeiffer. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek kende het Uwv haar in 2003 een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. In 2004 werd de uitkering ingetrokken op basis van een nieuw rapport van de verzekeringsarts Slooff, die geen urenbeperking voor lichte arbeid meer zag.
Appellante voerde bezwaar aan met medische rapporten van verschillende specialisten, waaronder een maag-, darm-, leverarts, en een GGZ-instelling die chronisch vermoeidheidssyndroom en somatoforme stoornis constateerden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het Uwv de medische beperkingen niet had onderschat en dat de medische informatie onvoldoende steun bood voor een urenbeperking.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat arbeidsongeschiktheid medisch objectief moet zijn vastgesteld en dat in bijzondere gevallen een vrijwel eenduidige en medisch gemotiveerde deskundigenopvatting vereist is. De medische informatie in hoger beroep, waaronder het rapport van Alleman, dateert van ruim anderhalf jaar na het bestreden besluit en bevat onvoldoende onderbouwing. De functies waarop de schatting is gebaseerd zijn medisch geschikt bevonden. Daarom wordt het bestreden besluit bevestigd en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende medische onderbouwing voor urenbeperking.