ECLI:NL:CRVB:2007:BA7367
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor passende functies
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, moest haar werk in maart 2000 staken wegens nek-, schouder- en armklachten. Na onderzoek bleek sprake van degeneratieve afwijkingen in de cervicale wervelkolom. Hoewel zij aanvankelijk geen WAO-uitkering kreeg, werd zij vanaf mei 2002 gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Deze uitkering werd in november 2002 ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor passende functies.
Na meerdere ziekmeldingen en het ontvangen van ziekengeld, besloot het UWV per 13 oktober 2004 dat appellante geen recht meer had op ziekengeld omdat zij geschikt was voor de eerder geselecteerde functies. Deze beslissing werd bevestigd in bezwaar en door de rechtbank Breda. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat de medische beperkingen, waaronder fibromyalgie, reeds waren meegewogen.
De Raad benadrukt dat onder “zijn arbeid” in de Ziektewet wordt verstaan de arbeid die voor appellante in het kader van de WAO als geschikt werd aangemerkt. Appellante heeft onvoldoende medische onderbouwing geleverd om het oordeel te wijzigen. Daarom wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan appellante wegens geschiktheid voor passende functies.