ECLI:NL:CRVB:2007:BA7346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten UWV inzake weigering ziekengeld en WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing beperkingen
Appellante, werkzaam als uitzendkracht in de tuinbouw en visindustrie, werd per 1 februari 1999 ziekgemeld. Na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 1999 werd zij geschikt bevonden voor gangbare arbeid en kreeg geen WAO-uitkering toegekend. Na zwangerschapsverlof en ziekteperiodes meldde zij zich opnieuw ziek per 25 juli 2003 met klachten van rugpijn, psychische problemen en hoofdpijn. Het UWV weigerde op 3 mei 2004 ziekengeld en WAO-uitkering toe te kennen, omdat zij niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het UWV verklaarde deze ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen, met name psychisch, onvoldoende waren onderkend en dat het UWV geen adequate toetsing had verricht aan haar belastbaarheid in relatie tot haar werk. De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen weliswaar concludeerden dat appellante geschikt was voor haar werk, maar dat onduidelijk bleef op welke functiebelasting dit was gebaseerd. Ook kon het UWV niet aangeven of de werkbeschrijving uit 2003 was gebruikt bij de beoordeling.
De Raad oordeelde dat onvoldoende was onderbouwd of appellante met haar beperkingen haar werk kon verrichten en dat de besluiten in strijd waren met de Awb. Daarom vernietigde de Raad de besluiten en de uitspraak van de rechtbank en droeg het UWV op nieuwe besluiten te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten van het UWV en draagt het UWV op nieuwe besluiten te nemen.