ECLI:NL:CRVB:2007:BA7229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door UWV afgewezen behalve reeds toegekend bedrag
De zaak betreft een verzoek van verzoekster om proceskostenveroordeling van het UWV nadat het bestuursorgaan het hoger beroep had ingetrokken. Het UWV had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar trok dit hoger beroep in. Verzoekster vroeg vervolgens om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten in zowel eerste aanleg als hoger beroep.
De Raad overwoog dat het verzoek niet kon worden toegewezen voor de kosten in eerste aanleg, omdat de rechtbank het UWV al had veroordeeld tot betaling van €644,- en deze uitspraak rechtskracht heeft gekregen. Voor de kosten in hoger beroep werd overwogen dat de Raad slechts kan veroordelen tot een bedrag binnen de forfaitaire regeling, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
Verzoekster voerde aan dat de proceshouding van het UWV bijzondere omstandigheden vormde, maar de Raad vond dit onvoldoende om af te wijken van de forfaitaire regeling. Er waren geen aanwijzingen voor ernstig onzorgvuldig handelen zoals in eerdere jurisprudentie. De Raad veroordeelde het UWV daarom tot betaling van €644,- aan proceskosten voor het hoger beroep, wat overeenkomt met de forfaitaire vergoeding voor rechtsbijstand en zitting.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 30 mei 2007, waarbij de Raad het verzoek om een hogere proceskostenvergoeding afwees en alleen het reeds toegekende bedrag bevestigde.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €644,- aan proceskosten, het verzoek om hogere kostenvergoeding wordt afgewezen.