ECLI:NL:CRVB:2007:BA6883

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1019 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 ARARArt. 33fb ARARArt. 32 ARARArt. 8:75 AwbWet arbeid en zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling doorbetaling volle bezoldiging tijdens ziekte en zwangerschapsverlof

De zaak betreft het geschil over de berekening van de periode waarbinnen een ambtenaar recht heeft op doorbetaling van volle bezoldiging tijdens ziekte. De Minister van Verkeer en Waterstaat had de doorbetaling teruggebracht tot 80% na 78 weken, inclusief de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof. De rechtbank oordeelde dat deze verlofperiode buiten beschouwing moest blijven bij de berekening.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt dat de aanspraak op doorbetaling tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof gebaseerd is op een aparte regeling in artikel 33fb van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), die derogeert aan artikel 37 ARAR Pro. De ziekteperiode en het verlof zijn juridisch gescheiden, waardoor de verlofperiode niet meetelt voor de 78 weken ziekte.

De Raad oordeelt dat de Minister onjuist heeft gehandeld door de zwangerschapsperiode mee te rekenen in de 78 weken en verklaart het hoger beroep ongegrond. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten aan betrokkene.

Uitkomst: Het hoger beroep van de Minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

06/1019 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2006, 05/1707 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 7 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.H.C. van Eck, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat (hierna: ministerie). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. K. ten Broek, verbonden aan AbvaKabo FNV.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Betrokkene was vanaf 3 februari 2003, met enkele korte onderbrekingen, wegens ziekte ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid van [naam functie] ICT bij het ministerie. Terwijl haar ziekte voortduurde heeft betrokkene gedurende 16 weken, van
29 augustus 2003 tot 19 december 2003, zwangerschaps- en bevalllingsverlof genoten. Na afloop van die 16 weken is betrokkene wegens ziekte ongeschikt gebleven tot het verrichten van haar werk. Gerekend vanaf 3 februari 2003 is aan betrokkene gedurende 78 weken, met inbegrip van de binnen die 78 weken gelegen periode van 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof, haar volle bezoldiging doorbetaald.
1.2. Bij besluit van 17 september 2004 is, onder verwijzing naar artikel 37 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) zoals dat toen luidde, bepaald, dat de doorbetaling van de volle bezoldiging werd teruggebracht tot 80% van de bezoldiging. Van de daarbij in aanmerking genomen periode van 78 weken maakten de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof deel uit. Na bezwaar is deze vermindering tot 80% gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 mei 2005.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Voorts zijn bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant bij het berekenen van de periode van 78 weken als bedoeld in artikel 37 van Pro het ARAR ten onrechte de periode van de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof niet buiten beschouwing heeft gelaten.
3. Appellant kan zich met die conclusie niet verenigen; betrokkene acht deze juist.
4. De Raad overweegt naar aanleiding daarvan als volgt.
4.1. In samenhang met het daaromtrent bepaalde in de Wet arbeid en zorg is in artikel 33fb van het ARAR een afzonderlijke regeling getroffen betreffende zwangerschaps- en bevallingsverlof. Daarbij wordt aan de vrouwelijke ambtenaar gedurende 16 weken rondom haar bevalling aanspraak verleend op verlof, waaraan is verbonden de aanspraak op behoud van haar bezoldiging.
4.2. Naar het oordeel van de Raad moet gezegd worden dat betrokkene, gegeven de speciale regeling van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, haar aanspraak op doorbetaling van de volle bezoldiging gedurende die 16 weken ontleende aan artikel 33fb van het ARAR. Of betrokkene gedurende die periode ook ongeschikt was wegens ziekte is niet van belang, aangezien de doorbetaling van de bezoldiging niet daarom plaats vond maar op grond van artikel 33fb van het ARAR wegens zwangerschap en bevalling. Van bedrijfsgeneeskundige begeleiding en van rechten en plichten bij ziekte als bedoeld in hoofdstuk VI van het ARAR, is tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof geen sprake. De speciale regeling van artikel 33fb van het ARAR derogeert aan de regeling van artikel 37 van Pro het ARAR (en aan die van artikel 32, aanhef en onder c, van het ARAR).
4.3. Op het moment waarop naar het oordeel van appellant de doorbetaling moest worden teruggebracht tot 80%, waren de daarvoor ingevolge artikel 37 van Pro het ARAR benodigde 78 weken nog niet verstreken. Betrokkene had immers op dat moment nog niet gedurende in totaal 78 weken wegens ziekte haar volle bezoldiging ontvangen. Gedurende de
- binnen die 78 weken gelegen - 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof was immers de volle bezoldiging van betrokkene enkel voortgevloeid uit haar op artikel 33fb van het ARAR berustende aanspraak daarop tijdens het genieten van zwangerschaps- en bevallingsverlof.
4.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie, overeenkomstig het door betrokkene bij de rechtbank ingenomen primaire standpunt, dat appellant bij de gehandhaafde kortingsbeslissing gehandeld heeft in strijd met artikel 37 van Pro het ARAR. Ten onrechte heeft appellant bij de toepassing van die bepaling de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet buiten beschouwing gelaten. Waar ook de rechtbank, zij het op andere gronden, tot die conclusie is gekomen, slaagt het hoger beroep van appellant niet. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.
5. De Raad ziet aanleiding appellant met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, begroot op € 644,- wegens juridische bijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2007.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) R.A. Huizer.
Q.