ECLI:NL:CRVB:2007:BA6633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar gedrag werknemer
Appellant, voormalig interieurverzorger, diende op 11 mei 2005 een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering blijvend geheel wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zich herhaaldelijk niet aan de regels van zijn werkgever hield en daarmee de arbeidsrelatie ernstig verstoorde. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden vanwege deze gedragingen.
Appellant betwistte in hoger beroep de feiten en het verwijtbare karakter van zijn gedrag. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant onvoldoende bewijs aanvoerde om het beeld van verwijtbaar gedrag te weerleggen. De Raad nam het oordeel van de kantonrechter en het UWV over, waarbij onder meer werd meegewogen dat appellant afspraken bij de bedrijfsarts niet nakwam, onheus gedrag vertoonde, zonder toestemming vrije dagen opnam en zijn leidinggevende bedreigde.
De Raad concludeerde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn werkgever het vertrouwen in hem zou verliezen en tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou overgaan. Hierdoor was het UWV terecht overgegaan tot blijvende weigering van de WW-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar gedrag van appellant.