ECLI:NL:CRVB:2007:BA6448

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3771 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het bestreden besluit inzake WAO-schatting en belastbaarheid appellante

Appellante, die sinds januari 2002 arbeidsongeschikt is wegens klachten aan de rechter schouder, psychische en gewrichtsklachten, maakte bezwaar tegen het UWV-besluit waarin haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 45 tot 55% met een verlies aan verdienvermogen van circa 50%.

De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van appellante tegen het bezwaarbesluit van 9 september 2004 ongegrond en stelde dat de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit rechtens onaantastbaar waren geworden. De Raad toetste in hoger beroep of dit oordeel stand kon houden.

Namens appellante werd aangevoerd dat bepaalde functies, zoals telefoniste/receptioniste en typiste, haar belastbaarheid overschreden en medisch ongeschikt waren. De Raad vond echter de motivering van de bezwaararbeidsdeskundige Politon, die de functies opnieuw had beoordeeld en toegelicht, toereikend en bevestigde dat deze functies binnen de belastbaarheid van appellante vielen.

De Centrale Raad van Beroep zag geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraken en bevestigde het bestreden besluit. Er waren geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 5 juni 2007 door rechter K.J.S. Spaas.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en verklaart het beroep van appellante ongegrond.

Uitspraak

05/3771 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 mei 2005, 04/4407 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 5 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 maart 2006 heeft mr. P.A.M. Staal zich als opvolgend gemachtigde van mr. Breetveld gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante was laatstelijk gedurende 20 uur per week werkzaam als cassière bij een supermarket. Zij is op 24 januari 2002 uitgevallen met klachten aan de rechter schouder, psychische en gewrichtsklachten. Bij haar uitspraak van 3 juni 2004, 03/4823, heeft de rechtbank 's-Gravenhage - op arbeidskundige gronden - onder meer gegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 3 oktober 2003, houdende ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante tegen het besluit van het Uwv van 2 april 2003 waarbij het de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 23 januari 2003 heeft herzien en nader heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust. De bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon heeft vervolgens de in de primaire fase van de besluitvorming geselecteerde functies opnieuw beoordeeld en besproken met de bezwaarverzekeringsarts M. Keus. Als resultaat daarvan laat Politon 1 van die functies vervallen en handhaaft zij de overige, op basis waarvan zij, blijkens haar rapport van
8 juli 2004, het verlies aan verdienvermogen van appellante berekende op circa 50%.
In overeenstemming hiermede heeft het Uwv bij besluit van 9 september 2004 wederom het bezwaar tegen het primaire besluit van 2 april 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 9 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen geconstateerd dat met haar eerdergenoemde uitspraak van 3 juni 2004, waartegen appellante geen rechtsmiddel heeft aangewend, de medische grondslag van het bestreden besluit is komen vast te staan en heeft vervolgens de arbeidskundige grondslag van dat besluit onderschreven.
In hoger beroep wordt namens appellante het standpunt ingenomen dat enkele geduide functies, met name de telefoniste/receptioniste en typiste, haar belastbaarheid overschrijden en derhalve in medisch opzicht niet geschikt zijn te achten.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de belastbaarheid van appellante tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Gelijk de rechtbank in de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat met de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2004 die belastbaarheid van appellante op de datum in geding een rechtens onaantastbaar feitelijk gegeven is geworden.
Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de onderhavige schatting overweegt de Raad het volgende.
In de bezwaarfase heeft de bezwaararbeidsdeskundige Politon in haar eerdergenoemde rapportage van 8 juli 2004 nader gemotiveerd waarom de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten acquisiteur (SBC-code 516180), telefoniste/receptioniste (SBC-code 315120), productiemedewerker textiel (met uitzondering van de stikster meubelbekleding) (SBC-code 272043), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), productiemedewerker confectie (SBC-code 272042) en assistente consultatiebureau (SBC-code 372091), ondanks de vastgestelde beperkingen, de belastbaarheid van appellante niet te boven gaan. Daarbij is Politon ingegaan op zowel de niet-matchende als op de matchende beoordelingspunten. De Raad acht deze motivering toereikend, waarbij hij voor wat betreft de functie telefoniste/receptioniste in het bijzonder verwijst naar de in het kader van de op 23 augustus 2004 gehouden hoorzitting door de arbeidsdeskundige-analist R. Schardijn op die functie gegeven toelichting.
Hieruit volgt dat de Raad de hiervoor vermelde functies in medisch opzicht geschikt acht.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.
(get) K.J.S. Spaas.
(get) J.W. Engelhart.