ECLI:NL:CRVB:2007:BA6254
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ondanks beroep appellant
Appellant stelde beroep in tegen de terugvordering van €5.967,58 bruto aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 mei 2002. Hij voerde aan dat de terugvordering voor hem financieel en psychisch onaanvaardbaar is en dat het UWV hem meerdere malen schriftelijk heeft verzekerd dat de betalingen correct waren, waardoor hij mocht vertrouwen op het uitblijven van terugvordering.
De Raad overwoog dat de onderliggende besluiten van oktober 2002 die de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelden, niet meer ter discussie staan en dat het bedrag onverschuldigd is betaald. De door appellant aangevoerde toezeggingen en fouten van het UWV kunnen geen dringende reden vormen om af te zien van terugvordering. Ook stelde appellant dat de berekeningen niet herleidbaar waren, maar de Raad achtte de specificatie correct en controleerbaar aan de hand van de besluiten.
De Raad bevestigde dat terugvordering een wettelijke verplichting is volgens artikel 57 van Pro de WAO, met slechts een uitzondering voor dringende redenen die zien op onaanvaardbare gevolgen van terugvordering. Appellant heeft onvoldoende concreet aangetoond dat de gevolgen voor hem onaanvaardbaar zijn. Het bedrag is inmiddels terugbetaald via inhouding op zijn WAO-uitkering, afgestemd op de beslagvrije voet. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering bevestigd.