ECLI:NL:CRVB:2007:BA5886

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/6525 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluit WUV-uitkering en vaststelling grondslag

In deze zaak heeft appellant beroep ingesteld tegen een besluit van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, dat op 25 oktober 2006 is genomen. Dit besluit betreft de uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Appellant, geboren in 1940, is in september 2004 erkend als vervolgde en heeft psychische klachten die in causaal verband staan met zijn vervolging. Hij ontving eerder een vergoeding voor huishoudelijke hulp, maar na een nieuwe aanvraag in augustus 2005 heeft de verweerster bepaald dat appellant in beginsel recht heeft op een periodieke uitkering op basis van de WUV, maar dat een toeslag op basis van de WUBO gunstiger zou zijn. Appellant is van mening dat de grondslag van de periodieke uitkering ten onrechte is vastgesteld op het minimum en dat deze op basis van zijn verdiensten als zelfstandig installateur en loodgieter veel hoger zou moeten zijn. Hij stelt dat hij zijn werkactiviteiten heeft moeten verminderen door zijn psychische klachten.

De Raad heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De Raad overweegt dat appellant zijn werkzaamheden heeft beëindigd bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd en dat hij zelf heeft aangegeven in mei 2005 met pensioen te zijn gegaan. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om de grondslag van de periodieke uitkering op een eerdere datum vast te stellen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn psychische klachten eerder hebben geleid tot een verminderd functioneren. De Raad concludeert dat de verweerster terecht heeft vastgesteld dat de grondslag van de periodieke uitkering op het minimum moet worden gebaseerd, zoals vermeld in de WUV. De Raad heeft geen termen aanwezig geacht voor proceskostenvergoeding.

De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep, waarbij A. Beuker-Tilstra als voorzitter fungeerde, en de leden G.L.M.J. Stevens en G.F. Walgemoed. De uitspraak vond plaats op 16 mei 2007, in tegenwoordigheid van griffier W.M. Szabo.

Uitspraak

06/6525 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 16 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 oktober 2006, kenmerk JZ/A70/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1940, is in september 2004 erkend als vervolgde in de zin van de Wet, waarbij is aanvaard dat zijn psychische klachten in causaal verband staan met de vervolging. Aan hem is bij besluit van 8 februari 2005 een vergoeding voor huishoude-lijke hulp toegekend.
1.2. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van appellant van 8 augustus 2005 heeft verweerster bij besluit van 12 mei 2006 onder meer bepaald dat appellant in beginsel in aanmerking komt voor een, naar de minimum grondslag te berekenen, periodieke uitkering op grond van de Wet, maar dat een toeslag op grond van artikel 19 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO) voor hem gunstiger is. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat de grondslag van de periodieke uitkering ten onrechte is vastgesteld op het minimum volgens artikel 8, zevende lid, van de Wet. Hij is van mening dat die grondslag op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, dient te worden bepaald op basis van zijn verdiensten als zelfstandig installateur en loodgieter en dat deze veel hoger dient te zijn. Hij zou al jarenlang zijn werkactiviteiten hebben moeten verminderen als gevolg van zijn psychische klachten.
3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Appellant heeft de periodieke uitkering aangevraagd in augustus 2005, nadat hij zijn werkzaamheden had beëindigd bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. In hetgeen door appellant in beroep naar voren is gebracht heeft de Raad geen aanleiding gevonden om te oordelen dat voor de bepaling van de grondslag van de periodieke uitkering moet worden uitgegaan van een eerdere datum. Blijkens de gedingstukken heeft appellant zelf aange-geven dat hij in mei 2005 met pensioen is gegaan. Dat hij zijn werkzaamheden eerder heeft moeten verminderen vanwege de psychische klachten is op geen enkele wijze door appellant aannemelijk gemaakt. Bij de beoordeling van de aanvraag van appellant in 2003 is nog door appellant meegedeeld dat hij vanwege rugklachten na een bedrijfsongeval zijn werkzaamheden heeft moeten staken en dat zijn psychische klachten hem nooit hebben belemmerd tijdens zijn werkzaamheden.
4.2. Verweerster is er naar het oordeel van de Raad dan ook terecht van uitgegaan dat de psychische klachten van appellant pas in 2005 hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. Nu appellant ten tijde van de verergering van de psychische klachten niet was aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf, is de grondslag bij het bestreden besluit ingevolge artikel 8, vijfde lid, van de Wet terecht vastgesteld op het in het zevende lid van dat artikel, onder a, genoemde bedrag.
5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) W.M. Szabo.