ECLI:NL:CRVB:2007:BA5877
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen herziening WAO-uitkering
Appellant ontving sinds 1 januari 2003 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een besluit van 10 augustus 2005 werd deze uitkering herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (65 tot 80%). Appellant maakte bezwaar, dat op 21 december 2005 ongegrond werd verklaard. Tijdens de beroepsprocedure werd het bezwaar alsnog gegrond verklaard bij besluit van 10 augustus 2006, waarbij het eerdere besluit werd herroepen en appellant weer werd ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 december 2005 niet-ontvankelijk, omdat het Uwv volledig was teruggekomen op dat besluit en appellant daardoor geen procesbelang meer had. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn doel niet was bereikt en dat de rechtbank de medische en arbeidskundige beoordeling niet inhoudelijk had getoetst.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde dat appellant het maximaal haalbare resultaat al had bereikt. Daarom ontbrak het aan een rechtstreeks op de WAO terug te voeren procesbelang. De Raad overwoog dat bij een nieuw besluit de medische en arbeidskundige componenten opnieuw beoordeeld zullen worden. Het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro werd afgewezen omdat dit alleen bij gegrondverklaring van het beroep kan worden toegekend.
De Raad bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook werd geen gevolg verbonden aan de termijnoverschrijding door het Uwv, aangezien appellant hierdoor niet benadeeld was.
Uitkomst: Het beroep tegen het herzieningsbesluit van de WAO-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.